Zielenknijper.nl

Een kritische kijk op de praktijk van de psychiatrie!
Schade door psychiatrische medicijnen?
Gratis juridische hulp: 0800-4445005
 
 
Stand.nl NCRV

“Psychiatrie is een malversatie en moet beëindigd worden“

Update: De psychiatrie houdt zich al 7 jaar stil

Rollen voor genen

Datum: 18 juni 2009, 09:40
Tekst gepubliceerd 18 juni 2009. Copyright © prof. dr. Wim J. van der Steen. Plaatsing van de tekst door derden in enig ander medium is niet toegestaan zonder toestemming van de auteur. Weergave van kleine gedeelten of van de kern van de inhoud is toegestaan, mits de bron (auteur, titel, gegevens website, datum) expliciet worden vermeld.

Psychiatrische stoornissen zijn genetisch (erfelijk) bepaald.

Deze stelling zullen niet veel mensen voor hun rekening nemen. Velen, ook veel onderzoekers, zullen het daarentegen eens zijn met de meer voorzichtige stelling dat psychiatrische stoornissen voor een deel erfelijk bepaald zijn.

genetica psychiatrieMet de voorzichtige stelling ben ik het niet eens. Mijn reden is niet dat de stelling naar mijn idee niet waar is. Ik heb problemen met de stelling omdat ik niet weet wat deze betekent.

Dit lijkt op het eerste gezicht vreemd. Iedereen weet dat sommige eigenschappen, bijvoorbeeld oogkleur, genetisch bepaald zijn terwijl andere eigenschappen, bijvoorbeeld de manier waarop je tanden poetst, omgevingsbepaald zijn. Nog weer andere eigenschappen, bijvoorbeeld een voorkeur voor zwarte koffie, zijn voor een deel genetisch bepaald en voor een deel omgevingsbepaald.

Bij enig doordenken blijkt dat deze voorstelling van zaken te eenvoudig is. Voor het krijgen van blauwe ogen heb je voor de geboorte, als baby, en als je opgroeit, zuurstof—en allerlei andere dingen— nodig. Welnu, zuurstof is een omgevingsfactor. Je blauwe ogen zijn dus voor een deel genetisch bepaald en voor een deel omgevingsbepaald.

Weinig fantasie is nodig om na wat doordenken tot de conclusie te komen dat alle eigenschappen van mensen voor een deel genetisch bepaald zijn en voor een deel omgevingsbepaald. Voor psychiatrische stoornissen geldt dit natuurlijk ook. Maar deze voorzichtige stelling is nu ineens nogal oninteressant geworden. Op het eerste gezicht geeft de stelling informatie over psychiatrische stoornissen. Bij nader inzien lijkt het te gaan om een open deur die weinig aandacht verdient.

Mijn verhaal zal, zo stel ik me voor, gevoelens van protest oproepen, en dat is terecht. Er moet iets mis zijn met mijn redenering, want oogkleur, tanden poetsen en koffie drinken hoor je niet over een kam te scheren. Iedereen weet toch dat onze oogkleur niet voor een deel maar helemaal genetisch bepaald is, en dat voor tanden poetsen en koffie drinken iets anders geldt?

Dit is volkomen juist, maar het klopt niet met mijn redenering, die even juist lijkt. We zitten dus met een vreemde puzzel. De oplossing van de puzzel vinden we alleen na diep doordenken over de betekenis van de begrippen “genetisch bepaald” en “omgevingsbepaald”. De begrippen horen we niet te gebruiken voor eigenschappen van individuen maar voor verschillen in eigenschappen tussen individuen. Verschillen in oogkleur tussen twee mensen zijn het gevolg van verschillen in genetische factoren en niet van verschillen in omgevingsfactoren. Dat is wat we horen te bedoelen met de term “genetisch bepaald”.

De stelling dat psychiatrische stoornissen voor een deel genetisch bepaald zijn, is nu ineens wél interessant. Het gaat niet meer om een nietszeggende waarheid, maar om een stelling die we alleen voor waar mogen aannemen als wetenschappelijk onderzoek de waarheid ervan heeft aangetoond.

Wetenschappelijke onderzoekers houden zich meestal niet bezig met individuen maar met populaties. Verschillen tussen individuen komen ze tegen als variatie in populaties. Biologen gebruiken het begrip “populatie” voor organismen—planten, dieren of mensen—die tot dezelfde soort horen en in een bepaald gebied leven. Ik gebruik het begrip wat ruimer, voor groepen mensen die bepaalde eigenschappen gemeen hebben, bijvoorbeeld het hebben van een bepaalde ziekte en / of het wonen in een bepaald land. Denk bijvoorbeeld aan de populatie van depressieve mensen in de wereld of de populatie van mensen met een psychiatrisch stoornis in Nederland.

Een interessante vraag wordt nu in hoeverre de variatie aan eigenschappen in een populatie genetisch bepaald is. We zouden bijvoorbeeld kunnen constateren dat een eigenschap voor 80% het gevolg is van genetische variatie en voor 20% van omgevingsvariatie.

Met zulke constateringen moet je echter uitkijken. Veronderstel dat onderzoekers tot de conclusie zouden komen dat depressiviteit bij mensen in Nederland voor 50% genetisch bepaald is—een conclusie waar ik het overigens bepaald niet mee eens zou zijn. Die conclusie gaat natuurlijk over de situatie die in Nederland tijdens het onderzoek bestond. Veronderstel verder dat de werkloosheid in Nederland ineens toeneemt. Zoiets zal vermoedelijk tot meer depressiviteit leiden. Denkbaar is, dat depressiviteit als gevolg hiervan voor slechts 20% genetisch bepaald is. De mate waarin een eigenschap, in dit geval depressiviteit, genetisch bepaald is, hangt kennelijk van allerlei omstandigheden af.

De genetica (erfelijkheidleer) gebruikt voor de mate waarin een eigenschap genetisch bepaald is de uitdrukking “heritability”. De heritability van tandenpoetsgewoonten is 0%, die van oogkleur 100%. We bedoelen daarmee dat de variatie in tandenpoetsgewoonten volledig wordt bepaald door variatie in omgevingsfactoren. Die van oogkleur wordt volledig bepaald door genetische factoren.

In onderzoek over de rol van genetische factoren bij psychiatrische stoornissen is “heritablity” een belangrijk sleutelbegrip. Het gaat helaas om een valkuilbegrip. Al te gemakkelijk zien we over het hoofd dat het begrip niet gaat over individuen maar koersverschillen tussen individuen. Een dan moeten we ook nog bedenken dat de heritability van een eigenschap kan veranderen als de omstandigheden veranderen.

Dat alle individuele mensen een neus hebben is een genetische kwestie—al spelen omgevingsfactorennatuurlijk ook en rol bij het ontstaan van neuzen. De heritability van het hebben van een neus is echter ongeveer 0%, want verschillen tussen mensen in het hebben van een neus zijn meestal het gevolg van omgevingsverschillen. Als de Grote Neushapper, een kwaadaardig dier, de neus van sommige mensen afbijt, dan zijn de stakkers die dit overkomt niet neusloos als gevolg van een genetische eigenaardigheid.

Veel onderzoekers gebruiken heritability-gegevens voor conclusies over genetische factoren. Dat zien we bijvoorbeeld in onderzoek over schizofrenie. Onderzoek met tweelingen wordt hier gezien als een belangrijke bron van bewijsmateriaal. Al lang is bekend dat schizofrenie in sommige families meer voorkomt dan in andere. Dat zegt niets: Familieleden hebben genetische factoren én omgevingsfactoren gemeenschappelijk.

Dit geldt ook voor tweelingen, maar—zo denkt men—door een vergelijking van identieke met niet-identieke tweelingen kunnen we de rol van de twee categorieën van factoren opsporen. Identieke tweelingen zijn genetisch hetzelfde, niet-identieke tweelingen niet. Nu is gebleken dat de concordantie voor schizofrenie bij identieke tweelingen veel groter is dan bij niet-identieke tweelingen: Als bij een identieke tweeling één van beide schizofreen is, dan is de kans dat de ander dat ook is groot. Bij niet-identieke tweelingen is de kans kleiner. Als we veronderstellen dat de omgevingen waarin identieke tweelingen opgroeien in dezelfde mate overeenkomen als de omgevingen waarin niet-identieke tweelingen opgroeien, dan ligt voor de hand dat genetische factoren een grote rol spelen bij schizofrenie.

De veronderstelling over de omgevingen staat bekend als equal environments assumption (hierna:EEA). De EEA is onjuist. Identieke tweelingen delen voor de geboorte, anders dan niet-identieke tweelingen, vaak de placenta. Bovendien is de kans groot dat ze in verregaande mate hetzelfde worden behandeld, eenvoudigweg omdat ze sterk op elkaar lijken. Ze zullen ook vaak kiezen voor eenzelfde omgeving.

Dit is onderzoekers die uit tweelingonderzoek concluderen dat schizofrenie voor een deel genetisch bepaald is natuurlijk niet ontgaan. Ze gaan dan ook uit van een EEA in een gewijzigde vorm. De gewijzigde EEA houdt in dat de omgevingsfactoren die bij identieke tweelingen minder verschillen dat bij niet-identieke tweelingen niet of nauwelijks een rol spelen bij het ontstaan van schizofrenie. Volgens sommige onderzoekers, die werkten met vragenlijsten voorgelegd aan de betrokkenen, is de gewijzigde EEA wetenschappelijk solide. Andere onderzoekers zijn het hiermee gloeiend oneens.

De liefhebbers van genetische factoren hebben overigens nog een interessante pijl op hun boog. Als identieke tweelingen vaker dan niet-identieke tweelingen kiezen voor eenzelfde omgeving, dan is de keus natuurlijk een kwestie van erfelijkheid. Voor het geval de gewijzigde EEA onjuist is, mogen we dus evengoed concluderen dat genetische factoren een belangrijke rol spelen. Deze gedachtegang lijkt me een voorbeeld van recht praten wat krom is. Ik laat de gedachtegang vooralsnog even rusten.

Laten we even aannemen dat de gewijzigde EEA zinnig is. Ook in dat geval zegt de bij schizofrenie gevonden heritability niets over de mogelijke rol van genetische factoren. Het hierna besproken hypothetische voorbeeld illustreert dat het tweelingonderzoek evengoed geen enkele bewijskracht heeft.

Een tweelingliefhebster ging eens met een groot aantal tweelingparen, sommige identiek, andere niet-identiek, wadlopen. Had zij het maar niet gedaan. Ver van het vasteland wachtte het gezelschap een onaangename verrassing in de vorm van een vloedgolf. Doordat kleine wadlopers het hoofd niet boven water hielden, verdronken ze. Grote wadlopers konden het vege lijf redden. Bij de identieke tweelingen was de concordantie voor verdrinking 100%, bij niet-identieke tweelingen was die lager. Logisch, want de identieke tweelingen waren steeds even lang, de niet-identieke tweelingen niet.

De heritability van de verdrinking is in dit geval 100%, want verschillen tussen de verdronkenen en de overlevenden komen geheel voor rekening van genetische verschillen. We weten zelfs wat voor genetische factoren een rol spelen: factoren die de lichaamslengte bepalen. We vergeten nu even dat ook omgevingsfactoren, bijvoorbeeld voeding, invloed hebben op de lichaamslengte; voor ons argument maakt dit niets uit. De verdrinkingsramp werd dus veroorzaakt door genetische factoren, en de vloedgolf had er geen invloed op.

Dit is natuurlijk een bizarre conclusie. De volgende redeneerstap ligt aan de conclusie ten grondslag.

(1) Verschillen in genetische factoren tussen individuen veroorzaakten de verschillen in verdrinking tussen individuen.

(2) Uit (1) volgt dat genetische factoren de verdrinking van individuen veroorzaakten, en dat de vloedgolf daarop geen invloed had.

Nu zegt ons gezonde verstand:

(3) De vloedgolf veroorzaakte de verdrinking van individuen.

Daaruit volgt dat (2) niet juist is. Als we aannemen dat (1) juist is, dan volgt hieruit dat (2) blijkbaar niet uit (1) volgt. Nu gaat (1) over de oorzaken van verschillen in eigenschappen tussen individuen en (2) over de oorzaken van eigenschappen van individuen. Blijkbaar mogen we uit informatie over de verschillen tussen individuen niets concluderen over de individuen. Anders gezegd, de heritability van een eigenschap zegt niets over oorzaken van de eigenschap bij individuen.

Wat leert ons dit voorbeeld over de heritability van schizofrenie? Blijkens tweelingonderzoek is de heritability van schizofrenie vrij hoog, zij het lang niet zo hoog als die van de verdrinking in ons vloedgolfvoorbeeld. Sommige onderzoekers concluderen daaruit dat genetische factoren blijkbaar een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van schizofrenie. Hun redenering zit logisch gezien hetzelfde in elkaar als de redenering op grond waarvan verdrinking in ons vloedgolfvoorbeeld gezien wordt als het gevolg van genetische factoren, en niet van de vloedgolf. Het gaat dus gewoon om apekool.

Nu is “gewoon” tweelingonderzoek niet de enige bron van bewijsmateriaal waar schizofrenieonderzoekers zich op baseren. Er is ook onderzoek gedaan bij tweelingen die zijn geadopteerd. Op het onderzoek valt veel aan te merken. In het onderzoek zijn bijvoorbeeld identieke tweelingen die na adoptie in verschillende gezinnen opgroeiden vergeleken met identieke tweelingen die werden opgevoed door hun eigen ouders. Verondersteld werd daarbij dat de omgeving bij adoptietweelingen verschillend was en bij niet geadopteerde tweelingen hetzelfde of in ieder geval minder verschillend. Omdat tweelingen in de twee gevallen ongeveer dezelfde concordantie voor schizofrenie vertonen, werd geconcludeerd dat genetische factoren dit verklaren. Als de omgeving verantwoordelijk zou zijn, dan zouden geadopteerde tweelingen minder sterk op elkaar moeten lijken, zo denkt men.

De veronderstelling dat de geadopteerde identieke tweelingen opgroeiden in omgevingen die verschillen in relevante omgevingsfactoren is echter dubieus. Voor de geboorte delen identieke tweelingen, anders dan niet-identieke tweelingen, meestal de placenta. Dat is een belangrijk punt van overeenkomst. Verder worden kinderen bij adoptie meestal geplaatst bij pleegouders die veel gemeen hebben met de eigen ouders. Bovendien vindt adoptie vaak pas plaats nadat de tweelingen geruime tijd hebben doorgebracht bij de eigen ouders. Kortom, het is heel goed mogelijk dat omgevingsfactoren de schizofreniegegevens verklaren. Veel bewijskracht heeft het adoptieonderzoek al met al niet.

Onderzoekers hebben ook geprobeerd genen te identificeren die medeverantwoordelijk zouden zijn voor schizofrenie. Verscheidene kandidaat-genen zouden zijn gevonden, maar de resultaten van de onderzoekers werden door anderen in het algemeen niet bevestigd. Zelfs als we zouden weten dat schizofrene mensen de aanwezigheid van bepaalde genetische factoren als specifiek kenmerk hebben, dan zouden we daar nog niet veel mee opschieten. We kunnen alleen met recht beweren dat genetische factoren een belangrijke rol spelen als we weten hoe die—samen met omgevingsfactoren—leiden tot het ziektebeeld. Informatie daarover schittert door afwezigheid.

Ook hier is het vloedgolfvoorbeeld leerzaam. We weten dat genetische factoren die bepalend zijn voor de lichaamslengte, medebepalend waren voor het al dan niet verdrinken van onze wadlopers. Maar het zou vreemd zijn, die factoren aan te merken als de hoofdoorzaak van verdrinkingen. Klein zijn is een “normale” eigenschap die meestal niet leidt tot verdrinking. Dat vloedgolven soms verdrinkingen veroorzaken, ligt daarentegen voor de hand. Informatie over de vloedgolf is in het voorbeeld dermate essentieel dat we de golf mogen zien als de hoofdoorzaak van de verdrinkingen.

In dit voorbeeld hebben we informatie over de manier waarop genetische factoren, samen met de vloedgolf als omgevingsfactor, leiden tot een verdrinkingsramp. Interessant is dat deze informatie alleen maar leidt tot de conclusie dat de genetische factoren niet de hoofdoorzaak vertegenwoordigen. Voor “schizofreniegenen” zou heel goed iets dergelijks kunnen gelden. We weten echter niet hoe het zit bij schizofrenie, want we hebben nauwelijks informatie over de manier waarop genetische factoren en omgevingsfactoren leiden tot de ziekteverschijnselen.

Hebben psychiatrische patiënten afwijkende genen die medeverantwoordelijk zijn voor hun stoornis? Die vraag staat al jaren centraal in onderzoek over de vraag in hoeverre genetische factoren stoornissen veroorzaken.

Een andere vraag kwam pas de laatste paar jaren aan de orde. In hoeverre doen de genen van psychiatrische patiënten hun werk goed? Dat die vraag zinnig is, daar kom je pas op als je je realiseert dat genen aan en uit kunnen staan. Het laatste is logisch. In verschillende organen zijn verschillende genen actief. Dat is nodig, omdat de door genen gereguleerde processen in verschillende organen verschillend zijn.

Het aan of uit staan van genen wordt bestudeerd in een vakgebied dat epigenetica heet. In psychiatrische handboeken krijgt dit vakgebied helaas nauwelijks aandacht. Helaas, want de laatste paar jaar is uit modern onderzoek gebleken dat epigenetische afwijkingen veel voorkomen bij psychiatrische stoornissen.

Gangbaar in de psychiatrie is de veronderstelling dat bepaalde genen mensen kwetsbaar kunnen maken en dat de kwetsbaarheid tot een stoornis leidt wanneer omgevingsfactoren die stress vertegenwoordigen dit bevorderen. Deze veronderstelling leidt tot wetenschappelijk speurwerk dat beoogt de verantwoordelijke genvarianten te identificeren. Duidelijk is inmiddels, zo denkt men, dat het vermoedelijk gaat om een groot aantal genen.

Het speurwerk zou wel eens misplaatst kunnen zijn of op zijn minst onvolledig. Soms kunnen genen hun werk niet goed doen doordat ze zijn uitgezet onder invloed van omgevingsfactoren. Met de genen op zich hoeft dan niets mis te zijn. Soms doen genen hun werk te goed doordat ze zijn aangezet terwijl het de bedoeling is dat ze uit staan.

Een epigenetische manier van denken was altijd al aanwezig in de psychiatrie, maar alleen op een heel verkapte manier. Onderzoekers zeggen vaak dat genen tot expressie komen onder invloed van bepaalde milieufactoren. Die manier van zeggen begint bij genen die in principe kwaad kunnen. Het kwaad barst alleen pas los als de omgeving een beetje meewerkt.

We kunnen in ons onderzoek beter beginnen bij milieufactoren die een rol kunnen spelen bij psychiatrische stoornissen. Laten we in eerste instantie vooral niet denken dat mensen met een psychiatrisch stoornis “erfelijk belast” zijn of zo. Zo’n belasting moet je wetenschappelijk hard maken. Een voor je dat doet moet je natuurlijk goed bedenken wat de uitdrukking “erfelijk belast” (of wel genetisch bepaald) precies betekent.

We hebben al gezien dat het onderzoek over erfelijke factoren een oerwoud is vol voetangels en klemmen. Veel eenvoudiger is het, omgevingsfactoren op te sporen die invloed hebben op ons geestelijk welbevinden.

Wie ontslagen wordt, krijgt misschien een depressie. De buurman, die ook ontslagen wordt, krijgt geen depressie. Denk niet te snel dat een genetisch verschil tussen de heren het verschil in depressiviteit verklaart. Wie zo denkt gaat wat overhaast te werk. Wel redelijk is de veronderstelling dat het krijgen van ontslag een omgevingsfactor is die bij sommige mensen het ontstaan van depressie bevordert.

Ontslag is een vorm van sociale stress. We weten dat sociale stress biologische effecten heeft. Nogal wiedes. Die effecten kunnen we gaan onderzoeken als we eenmaal weten dat sociale stress een depressie kan veroorzaken. Het ligt echt niet voor de hand om eerst uit te zoeken welke “depressiegenen” er zoal zijn, om vervolgens na te gaan welke vormen van stress samen met de genen depressies veroorzaken. Zo gaan we met zevenmijlslaarzen door de genetische porseleinkast.

Allerlei andere omgevingsfactoren kunnen depressies of schizofrenie veroorzaken. Voeding is een belangrijk voorbeeld. Voor de opbouw en het onderhoud van onze hersenen hebben we omega-3 vetzuren nodig. Dat is al jaren bekend. In de gemiddelde Westerse voeding zitten te weinig omega-3 vetzuren. Dat is ook al jaren bekend; er komt trouwens wat verbetering in.

Mogen we, als we dit weten, het volgende beweren? Onder invloed van genetische factoren die we nog niet allemaal kennen krijgen sommige mensen een psychiatrisch stoornis als ze verkeerd eten. Dit lijkt me niet een geslaagde bewering. We kunnen beter eerst streven naar gezonde voeding en daarover voorlichting geven.

Misschien zijn er ook wel mensen die gezond eten en die toch gestoord zijn, bijvoorbeeld doordat ze ontslag kregen. Ook dat is niet primair een kwestie van genen.

Dit alles neemt niet weg dat verkeerd eten en ontslag ons welbevinden zo kunnen schaden, dat we depressief worden of schizofreen. Beste onderzoekers, ga als je dit weet, niet onmiddellijk naar de verantwoordelijke genen zoeken. Eerst epigenetica, dan pas genetica, zou ik denken.

Recent onderzoek heeft aan het licht gebracht dat voeding en sociale stress epigenetische processen beïnvloeden. Nu we dot weten, is het nuttig om te zoeken naar behandelingen met epigenetische invloed. Wat medicaties betreft wordt daaraan gewerkt De verwachting is dat er medicijnen zullen komen die werkzamer en veiliger zijn dan wat nu op de markt is.

Bronnen

De tekst is voor een deel gebaseerd op Van der Steen (2008, hoofdstuk 11.4). Het tweelingonderzoek en het vloedgolfvoorbeeld is daar uit overgenomen, met uitbreidingen. Het werd eerder gepubliceerd in Van der Steen (1999). De epigenetica werd in Van der Steen (2008) niet besproken.

Gifford (1990) zet helder uiteen dat we de uitdrukkingen “genetisch bepaald” en “omgevingsbepaald” horen te gebruiken voor verschillen in eigenschappen tussen individuen.

Kendler & Prescott (2006) verdedigen met kracht de stelling dat tweelingonderzoek de conclusie rechtvaardigt dat psychopathologie in vergaande mate “genetisch” is. Ze verdedigen dat de gewijzigde EEA blijkens hun onderzoek hout snijdt. Voortreffelijke kritiek is te vinden in Joseph (2003) en verder in Kaplan (2000) en Moore (2001).

In verschillende organen en celtypen zijn verschillende genen actief; dat ligt voor de hand (Szyf, Weaver & & Meaney, 2007). Dit is een kwestie van epigenetica.

Milieuverontreiniging en sociale stress kunnen epigenetische stoornissen bij mensen veroorzaken (Edwards & Myers, 2007; Szyf, Weaver & Meaney, 2007). Al wat langer was bekend dat sociale stress via epigenetische processen veel invloed heft bij ratten. Die worden op latere leeftijd gevoeliger voor stress als ze korte tijd worden weggehaald bij de moeder (Meaney et al, 1996, Meaney & Szyf, 2005). De epigenetische processen beïnvloeden stresshormonen.

Bij psychiatrische stoornissen zoals schizofrenie zijn epigenetische afwijkingen geconstateerd (Abdolmaleky, Smith et al, 2008; Abdolmaleky, Zhou et al, 2008; Connor & Akbarian, 2008; Mill et al, 2008).

Denkbaar is dat medicaties de afwijkingen soms veroorzaken. De SSRI Prozac veroorzaakt bijvoorbeeld epigenetische afwijkingen (Cassel et al, 2006). Voor andere psychofarmaca zou iets dergelijks kunnen gelden; daar is nog geen onderzoek oer gedaan. Dat neemt niet weg dat van allerlei etiologische factoren inmiddels bekend is dat die epigenetische schade veroorzaken (zie hierna).

Ook bij autisme zijn epigenetische afwijkingen gevonden (Jones et al, 2008). Ernstige stoornissen kunnen leiden tot zelfmoord en in de hersenen van mensen die zelfmoord pleegden zijn epigenetische afwijkingen gevonden (McGowan et al, 2008b, Poulter et al, 2008; Ernst et al, 2009).

Voeding speelt hierbij een rol. Foliumzuur en bepaalde vetzuren (omega-3 vetzuren en arachidonzuur) hebben een gunstig effect bij epigenetische processen. Over de rol van voeding bij epigenetische processen is inmiddels veel onderzoek gedaan (Feil, 2006; Muskiet & Kemperman, 2006; Burdge et al, 2007; Cobiac, 2007; Mathers, 2007; Milner, 2007; Waterland & Michels, 2007; McGowan, Meaney & Szyf, 2008a).

Slechte voeding van de moeder tijdens de zwangerschap kan epigenetische schade veroorzaken bij het kind (Burdge et al, 2007; Mathers, 2007; Szyf, Weaver & Meaney, 2007; Waterland & Michels, 2007). Delage & Dashwood, 2008). Een depressie van de moeder tijdens de zwangerschap veroorzaakt soms eveneens epigenetische schade, met een grote gevoeligheid voor stress bij het kind als gevolg (Oberlander et al, 208).

Interessant is dat identieke tweelingen sterker overeenkomen in epigenetische afwijkingen dan niet-identieke tweelingen (Kaminsky et al, 2009).

De epigenetische afwijkingen kunnen al ontstaan bij de vorming van zaadcellen. De kans erop neemt toe met de leeftijd. Dit zou kunnen verklaren dat oude vaders een relatief grote kans hebben op een schizofreen kind (House, 2000; Perrin, Brown & Malaspina, 2007; Delage & Dashwood, 2008).

Recent onderzoek wijst erop dat de negatieve ervaringen van kinderen (denk aan misbruik) epigenetische veranderingen kunnen veroorzaken met psychopathologie op latere leeftijd als gevolg ( McGowan et al, 2009).

Er wordt onderzoek gedaan over medicaties die epigenetische afwijkingen ongedaan kunnen maken (Ptak & Petronis, 2008). De verwachting is dat zulke medicaties effectiever en veiliger zullen zijn dan de bestaande. De medicaties zijn nu nog niet beschikbaar.

Literatuur

  • Abdolmaleky, H.M., Smith, C.L., Zhou, J.R. & Thiagalingam, S. (2008). Epigenetic alterations of the dopaminergic system in major psychiatric disorders. Methods in Molecular Biology, 448, 187-212.
  • Abdolmaleky, H.M., Zhou, J.R., Thiagalingam, S. & Smith, C.L. (2008). Epigenetic and pharmacoepigenomic studies of major psychoses and potentials for therapeutics. Pharmacogenomics, 9, 1809-1823.
  • Burdge, G.C., Hanson, M.A., Slater-Jefferies, J.L. & Lillycrop, K.A. (2007). Epigenetic regulation of transcription: a mechanism for inducing variations in phenotype (fetal programming) by differences in nutrition during early life? British Journal of Nutrition, 97, 1036-1046.
  • Cassel, S., Carouge, D., Gensburger, C., Anglard, P., Burgun, C., Dietrich, J.B., Aunis, D. & Zwiller, J. (2006). Fluoxetine and cocaine induce the epigenetic factors MeCP2 and MBD1 in adult rat brain. Molecular Pharmacology, 70, 487-492.
  • Cobiac, L. (2007). Epigenomics and nutrition. Forum of Nutrition, 60, 31-41.
  • Connor, C.M. & Akbarian, S. (2008). DNA methylation changes in schizophrenia and bipolar disorder. Epigenetics, 3, 55-58.
  • Delage, B. & Dashwood, R.H. (2008). Dietary manipulation of histone structure and function. Annual Review of Nutrition, 28, 347-366.
  • Edwards, T.M. & Myers, J.P. (2007). Environmental exposures and gene regulation in disease etiology. Environmental Health Perspectives, 115, 1264-1270.
  • Ernst, C., Deleva, V., Deng, X., Sequeira, A., Pomarenski, A., Klempan, T., Ernst, N., Quirion, R., Gratton, A., Szyf, M. & Turecki, G. (2009). Alternative splicing, methylation state, and expression profile of tropomyosin-related kinase B in the frontal cortex of suicide completers. Archives of General Psychiatry, 66, 22-32.
  • Feil, R. (2006). Environmental and nutritional effects on the epigenetic regulation of genes. Mutation Research, 600, 46-57.
  • Gifford, F. (1990). Genetic traits. Biology and Philosophy, 5, 327-347.
  • House, S.H. (200). Nurturing the brain nutritionally and emotionally from before conception to late adolescence. Nutrition and Health, 19, 143-161.
  • Jones, J.R., Skinner, C., Friez, M.J., Schwartz, C.E., Stevenson, R.E. (2008). Hypothesis: dysregulation of methylation of brain-expressed genes on the X chromosome and autism spectrum disorders. American Journal of Medical Genetics A, 146, 2213-2220.
  • Joseph, J. (2003). The Gene Illusion. Genetic Research in Psychiatry and Psychology Under the Microscope. Ross-on-Wye: PCCS Books.
  • Kaminsky, Z.A., Tang, T., Wang, S.C., Ptak, C., Oh, G.H., Wong, A.H., Feldcamp, L.A., Virtanen, C., Halfvarson, J., Tysk, C., McRae, A.F., Visscher, P.M., Montgomery, G.W., Gottesman, I.I., Martin, N.G. & Petronis, A. (2009). DNA methylation profiles in monozygotic and dizygotic twins. Nature Genetics, 41, 240-245.
  • Kaplan, J.M. (2000). The Limits and Lies of Human Genetic Research. New York: Routledge.
  • Kendler, K.S. & Prescott, C.A. (2006). Genes, Environment, and Psychopathology. Understanding the Causes of Psychiatric and Substance Use Disorders. New York en London: The Guilford Press.
  • Mathers, J.C. (2007). Early nutrition: impact on epigenetics. Forum of Nutrition, 60, 42-48.
  • McGowan, P.O., Meaney, M.J. & Szyf M. (2008a). Diet and the epigenetic (re)programming of phenotypic differences in behavior. Brain Research, 1237, 12-24.
  • McGowan, P.O., Sasaki, A., Huang, T.C., Unterberger, A., Suderman, M., Ernst C., Meaney, M.J., Turecki, G. & Szyf, M. (2008b). Promoter-wide hypermethylation of the ribosomal RNA gene promoter in the suicide brain. PloS ONE, 3 (5), e2085.
  • McGowan, P.O., Sasaki, A., D’Alessio, A.C., Dymov, S., Labonté, B., Szyf, M., Turecki, G. & Meane,y M.J. (2009). Epigenetic regulation of the glucocorticoid receptor in human brain associates with childhood abuse. Nature Neuroscience, 12, 342-348.
  • Meaney, M.J., Diorio, J., Francis, D., Widdowson, J., LaPlante, P., Caldji, C., Sharma, S., Seckl, J.R. & Plotsky, P.M. (1996). Early environmental regulation of forebrain glucocorticoid receptor gene expression: implications for adrenocortical responses to stress. Developmental Neuroscience, 18, 49-72.
  • Meaney, M.J. & Szyf, M. (2005). Environmental programming of stress responses through DNA methylation: life at the interface between a dynamic environment and a fixed genome. Dialogues in Clinical Neuroscience, 7, 103-123.
  • Mill, J., Tang, T., Kaminsky, Z., Khare, T., Yazdanpanah, S., Bouchard, L., Jia, P., Assadzadeh, A., Flanagan, J., Schumacher, A., Wang, S.C. & Petronis, A. (2008). Epigenomic profiling reveals DNA-methylation changes associated with major psychosis. American Journal of Human Genetics, 82, 696-711.
  • Milner, J.A. (2007). Nutrition in the ‘omics’ era. Forum of Nutrition, 60, 1-24.
  • Moore, D.S. (2001). The Dependent Gene. The Fallacy of “Nature vs Nurture”. New York: Henry Holt and Company.
  • Muskiet, F.A. & Kemperman, R.F. (2006). Folate and long-chain polyunsaturated fatty acids in psychiatric disease. Journal of Nutritional Biochemistry, 17, 717-727.
  • Oberlander, T.F., Weinberg, J., Papsdorf, M., Grunau, R., Misri, S. & Devlin, AM. (2008). Prenatal exposure to maternal depression, neonatal methylation of human glucocorticoid receptor gene (NR3C1) and infant cortisol stress responses. Epigenetics, 3, 97-106.
  • Perrin, M.C., Brown, A.S. & Malaspina, D. (2007). Aberrant epigenetic regulation could explain the relationship of paternal age to schizophrenia. Schizophrenia Bulletin, 33, 1270-1273.
  • Poulter, M.O., Du, L., Weaver, I.C., Palkovits, M., Faludi, G., Merali, Z., Szyf, M.& Anisman, H. (2008). GABAA receptor promoter hypermethylation in suicide brain: implications for the involvement of epigenetic processes. Biological Psychiatry, 64, 645-652.
  • Ptak, C. & Petronis, A. (2008). Epigenetics and complex disease: from etiology to new therapeutics. Annual Review of Pharmacology and Toxicology, 48, 257-276.
  • Szyf, M., Weaver, I. & Meaney, M. (2007). Maternal care, the epigenome and phenotypic differences in behavior. Reproductive Toxicology, 24, 9-19.
  • Van der Steen, W.J. (1999). Bias in behavior genetics: An ecological perspective. Acta Biotheoretica, 46, 369-377.
  • Van der Steen, W.J. (2008). Nieuwe wegen voor de geneeskunde, Amsterdam: SWP.
  • Waterland, R.A. 7 Michels, K.B. (2007). Epigenetic epidemiology of the developmental origins hypothesis. Annual Review of Nutrition, 27, 363-388.

Deze publicatie is onderdeel van het column van prof. dr. Wim J. Van der Steen, klik hier voor meer publicaties van de auteur.

 

Boeken van de auteur

Nieuwe wegen voor de geneeskunde Denken over geneeskunde Geneeskunde tussen Geleerdheid en Gezond Verstand Beyond Boundaries of Biomedicine
 

Tros Radar undercover bij farmaceutische bedrijven

Bezig met laden video...
Tros Radar: Deel 1 / Deel 2
Jaarlijks overlijden in Nederland meer mensen door medicijnen dan in het verkeer. Toch wil de farmaceutische industrie documenten over bijwerkingen niet openbaar maken.

Steeds vaker wordt het duidelijk dat dodelijke bijwerkingen worden verzwegen, en dat de bedrijven weinig tot niets om het welzijn van mensen geven.

De bedrijven worden beloond voor het zo lang mogelijk 'beter maken' van mensen, en niet voor het beter gemaakt hebben van mensen. En dat is te merken, vooral in de psychiatrie, waar medicijnen ongegeneerd mensen chronisch ziek maken en houden.

Zie ook: Farmaceutische bedrijven houden bewust fatale bijwerkingen geheim

Nu in de winkel:

De Pillen Maffia

Maandblad KIJK: De Pillenmaffia

Labels

Links

Meta

Statistieken

Bezoekers (details)


Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
0900 444 8888 (10 cent/pm)
helpdesk@pvp.nl
MindFreedom International (MFI) Nederlands Comite voor de Rechten van de Mens (NCRM) International Association Against Psychiatric Assault (IAAPA)
Emil Ratelband - Geef je kind geen pillen maar een Seminar!