Zielenknijper.nl

Een kritische kijk op de praktijk van de psychiatrie!
Schade door psychiatrische medicijnen?
Gratis juridische hulp: 0800-4445005
 
 
Stand.nl NCRV

“Psychiatrie is een malversatie en moet beëindigd worden“

Update: De psychiatrie houdt zich al 7 jaar stil

Muziek: in het lijf geschreven

Datum: 22 oktober 2009, 10:40
Tekst gepubliceerd 22 oktober 2009. Copyright © prof. dr. Wim J. van der Steen. Plaatsing van de tekst door derden in enig ander medium is niet toegestaan zonder toestemming van de auteur. Weergave van kleine gedeelten of van de kern van de inhoud is toegestaan, mits de bron (auteur, titel, gegevens website, datum) expliciet worden vermeld.

muziekBijna alle mensen zijn in principe muzikaal. In principe: De aanleg om van muziek te genieten kont alleen tot ontwikkeling bij blootstelling aan muziek. De muzikaliteit van mensen zal nog uitgebreid ter sprake komen. Eerst nemen we een kijkje in het dierenrijk.
Dat sommige dieren muzikaal zijn en muziek maken, lijkt me evident. Ik denk in de eerste plaats aan zangvogels. Sommige soorten hebben een zang waar we als mensen alleen maar jaloers op kunnen zijn.
Toen ik dit ging onderzoeken, stuitte ik meteen op een merkwaardig verschijnsel bij het snuffelen in de immense hoeveelheid wetenschappelijke literatuur over muzikaliteit. Over de fraaie liederen die vogels ten gehore brengen kwam ik niets tegen. Er verschijnen de laatste tijd wél artikelen over het vermogen van sommige vogels, kaketoes en papegaaien bijvoorbeeld, om mee te bewegen op het ritme van mensenmuziek. Dat is te vergelijken met dansen bij mensen. Dat vogels dit kunnen was tot voor kort niet bekend, aldus sommige auteurs. Vogels die niet de gewoonte hebben geluiden van soortgenoten te imiteren kunnen overigens niet op onze muziek “dansen”.
Zijn mannetjes van zangvogels die met een fraai lied hun territorium bewaken muzikaal? Ik vind dat ze in sommige opzichten muzikaler zijn dan mensen. Probeer de beste zangers onder hen maar eens na te zingen. Dat lukt je van geen kant. In andere opzichten zijn de zangvogels natuurlijk minder muzikaal. Ze kunnen bijvoorbeeld niet met een groepje soortgenoten meerstemmige muziek ten gehore brengen.
Onderzoek over muzikaliteit bij apen heeft de laatste tijd ook interessante dingen aan het licht gebracht. Een jonge door mensen opgevoede chimpansee bleek bijvoorbeeld onderscheid te maken tussen consonante (welluidende) muziek en dissonante (minder welluidende) muziek. Het dier maakte zelf muziek met een computergestuurd apparaat en het resultaat was meer consonante dan dissonante muziek. Deze voorkeur komt overeen met de voorkeur die mensen van jongs af aan hebben, aldus de onderzoekers.
Grootorige apen reageren niet op mensenmuziek. Ze reageren wél op hun eigen geluiden, omgezet in muziek.
Bij makaken kwam muzikaliteit op een andere manier aan het licht. Deze dieren zoeken voorwerpen waarmee je kunt trommelen. Die gebruiken ze voor de communicatie met soortgenoten. Als ze drummen, dan worden bepaalde gebieden in de hersenen die erbij betrokken zijn actief.

Uit veel onderzoek blijkt dat muzikaliteit niet één vermogen is maar een verzameling van allerlei verschillende vermogens. Die hangen samen met eigenschappen van muziek. Denk bijvoorbeeld aan maat, ritme, tempo, toonhoogte, toonsoort, melodiestructuur, klankkleur. Als we naar muziek luisterren of musiceren, dan kunnen we de veelheid van eigenschappen de baas bij de gratie van verschillende hersengebieden. Geen enkel gebied is betrokken bij álle aspecten van de muziek. Het is dan ook niet juist om muzikaliteit in verband te brengen met één gebied in de hersenen.
Kun je muzikaliteit als vermogen —verzameling van vermogens—goed onderscheiden van andere vermogens, bijvoorbeeld waarnemen met zintuigen, denken, taal gebruiken, emoties voelen en uiten, informatie opdiepen uit het geheugen, goed kunnen bewegen? Gemakkelijk is dit in ieder geval niet. Omdat bij muzikale vermogens veel hersengebieden zijn betrokken, kun je verwachten dat muzikaliteit samenhangt met de andere vermogens die ik noemde. Hersenonderzoekers hebben dan ook alle mogelijke samenhangen gevonden.
Eigenlijk heb je het hersenonderzoek helemaal niet nodig om zoiets te ontdekken. Met ons gewone, gezonde verstand kunnen we ook bedenken dat je gehoor een rol speelt bij het beluisteren van muziek, dat je taal gebruikt als je zingt, dat je vaak emoties voelt als je naar muziek luistert, en dat muziek en beweging natuurlijke bondgenoten zijn. De vermogens zijn echter niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toen Beethoven doof werd, kon hij nog wel muziek in gedachten horen en componeren en er zijn ook mensen die niet kunnen praten maar wel van muziek kunnen genieten. Op zulke dingen kom ik later terug.
Een algemene kritische kanttekening is nodig bij het denken over de genoemde vermogens. Het gaat om vermogens met psychische aspecten waar geen organen bij horen. Ons lichaam heeft organen. We hebben niet ook een psyche met organen. Daardoor is iedere indeling van psychische vermogens tot op zekere hoogte willekeurig. Onderzoekers die de vermogens in verband brengen met hersengebieden, hebben dit vaak niet in de gaten. Dat is een gemene valkuil. Veel onderzoekers vallen bovendien in een tweede kuil: vaak schrijven ze psychische eigenschappen toe aan hersenen in plaats van personen.
Dat het om valkuilen gaat, blijkt bijvoorbeeld uit de ontdekking dat luisteren naar muziek en musiceren niet alleen vermogens veranderen die we daarbij nodig hebben maar ook de hersenen. Recent onderzoek over kuikens is daarvan een mooi voorbeeld. Als je die vóór ze uit het ei komen sitarmuziek laat horen, dan heeft dat een positieve invloed op hun hersenen; door de muziek verandert de structuur van het brein! Als de kuikens voor de “geboorte” geluiden horen van soortgenoten, dan veranderen hun hersenen ook, maar sitarmuziek heeft meer invloed.
Kuikens in het ei zijn niet de enige wezens die andere hersenen krijgen als ze muziek horen. De hersenen van mensen veranderen ook als ze muziek horen of beoefenen. Als kinderen muziekles krijgen, verandert dat de structuur en de functie van hun hersenen en de hersenen van musici verschillen op een karakteristieke manier van de hersenen van gewone stervelingen. Het aardigst is het onderzoek van de bekende archeoloog Steven Mithen. Die was niet met muziek opgegroeid. Op latere leeftijd nam hij zangles met het doel, na te gaan of dat zijn hersenen zou veranderen. Dat verwachtte hij en hij kreeg gelijk.

Modern onderzoek dat eigenschappen van muziek in verband brengt met onderdelen van hersenen, toch al ingewikkeld, wordt door de ontdekking dat muziek hersenen verandert nog ingewikkelder. De resultaten van zulk onderzoek hangen waarschijnlijk af van de muzikale ontwikkeling van de personen die je bestudeert. Conclusies getrokken uit onderzoek dat daar geen rekening mee houdt—een groot deel van het moderne onderzoek—komen daardoor op losse schroeven te staan.
Nog meer losse schroeven krijgen we te zien als we ons verdiepen in de geschiedenis van de muziek en de muziektheorie. Die bespreek ik hierna in een intermezzo dat lezers die niet vertrouwd zijn met muziektheorie kunnen overslaan. Ik hoop dat de lezers die het intermezzo niet lezen de belangrijkste conclusie die ik eruit trek willen accepteren: Je hoort alleen onderzoek te doen over relaties tussen muziek en hersenprocessen als je versrand hebt van hersenprocessen én van muziek. Dat je ook verstand moet hebben van de mensen waar je de hersenen van bestudeert gaf ik hiervoor al aan.

Intermezzo

Het onderzoek over apen is een goed uitgangspunt om duidelijk te maken dat je de geschiedenis van de muziek en de muziektheorie moet kennen voor een goed oordeel over hersenonderzoek. De onderzochte jonge chimpansee hield van consonante, niet van dissonante muziek. Grootorige apen wilden daarentegen niets weten van mensenmuziek en, mogen we aannemen, ook niet van erop lijkende chimpanseemuziek. Ze reageren echter wel op hun eigen geluiden, omgezet in muziek.
Volgt hieruit dat de chimpansees muzikaler zijn dan de grootorige apen? Zijn die apen minder ontwikkeld? Dat zou kloppen met het feit dat mensen en chimpansees dichter bij elkaar staan in evolutiestambomen dan mensen en grootorige apen.
Deze interpretatie zou ik niet voor zoete koek slikken. Misschien reageren grootorige apen niet op de muziek die de onderzoekers hen voorschotelden. Ik neem aan dat het in het onderzoek ging om Westerse, metrische, diatonische muziek Metrisch betekent: met een bepaalde maat, bijvoorbeeld een driekwartsmaat of een vierkwartsmaat. Diatonisch betekent: uitgaand van een toonladder net afwisselend hele en halve noten, twee halve noten per toonladder.
Nu werd metrische klassieke muziek met een eenvoudige maatsoort hoofdzakelijk gecomponeerd in het Westen, vooral tussen 1600 en 1950. Voor 1600 was de meeste muziek in het Westen niet-metrisch. In andere culturen komen in de muziek gecompliceerde ritmische structuren voor die je nauwelijks metrisch kunt noemen en die componisten in het Westen pas in de vorige eeuw gingen gebruiken.
Diatonische muziek hoort thuis in Westerse muziek vanaf het begin van onze jaartelling. In de Griekse oudheid waren kwartnoot-intervallen gewoon, en in het verre Oosten is dat altijd het geval geweest. In het Westen werden zulke intervallen korte tijd gebruikt tijdens de tweede helft van de vorige eeuw, maar het werd hier geen succes.
De kuikens waarbij muziek, gespeeld voor ze uit het ei kwamen leidde tot veranderingen in de hersenen, worden nu nog interessanter dan ze al waren. De onderzoekers stelden de eieren bloot aan sitarmuziek. De sitar is een oud Indiaas instrument. De muziek die ermee wordt gemaakt gebruikt niet de Westerse diatonische toonladders, maar toonladders met kwartnoot-intervallen. Die muziek is volgens de gangbare muziektheoretische definitie van dissonantie extreem dissonant.
Ik zou wel eens willen weten hoe grootorige apen zouden reageren op sitarmuziek. Misschien vinden ze die wel prachtig. Dat ze niet reageerden op muziek die thuishoort in een bepaalde cultuur en een bepaalde periode, zegt weinig over hun muzikaliteit.
De chimpansee kreeg, denk ik, niet de gelegenheid om muziek te maken met kwartnoot-intervallen erin. Het dier was door mensen grootgebracht. Met muziek in de buurt? Zo ja, wat voor muziek? Zonder informatie daarover heeft het onderzoek weinig waarde. Ik heb ook twijfels omdat de onderzoekers beweren dat kinderen van jongs af aan meer van consonante dan van dissonante klanken houden. Dat zal vast wel opgaan voor kinderen die thuis niet al te moderne Westerse muziek te horen krijgen. Voor een dochter van me gold het tegenovergestelde toen ze een jaar of anderhalf was. Enthousiast ging ze steeds staand in de box wiegen als ze het vioolconcert van Alban Berg hoorde, twaalftoonsmuziek gecomponeerd in de vorige eeuw, extreem dissonant in de klassieke zin van het woord. Het is maar waar je mee opgroeit.

Nog even een slotopmerking over de begrippen consonant en dissonant. Die houden verband met de verhouding tussen trillingsgetallen—frequenties—van tonen die tegelijk klinken. Het octaaf is het meest consonante interval. De verhouding is hier 1:2. Daarna komt de kwint met 2:3, en zo voort. Je zou denken dat je moderne natuurkunde nodig hebt om over zulke dingen iets te weten te komen. Dat is niet helemaal juist. Pythagoras wist er vijfentwintighonderd jaar geleden al vrij veel van.

Einde van het intermezzo

De gevonden overeenkomsten tussen apen, mensapen en mensen wijzen er volgens veel onderzoekers op dat we onze muzikaliteit tijdens een evolutieproces erfden van dieren waar we van afstammen. Met zo’n conclusie moet je echter voorzichtig zijn. Van zangvogels die minstens zo mooi zingen als wij hebben we de muzikaliteit beslist niet geërfd. Ze horen niet bij de voorouders van mensen. Hun zang brengen ze bovendien niet voort met stembanden maar met een ander soort orgaan in de keel. Van krekels en sprinkhanen, die ritmische geluiden voortbrengen die je in zekere zin muziek zou kunnen noemen, hebben we onze muzikaliteit ook niet geërfd. Zij maken muziek met hun poten.
Er zijn niettemin overwegingen van algemene aard die de conclusie rechtvaardigen dat muzikaliteit is ontstaan tijdens een evolutieproces. Onze muzikaliteit is uniek en hoog ontwikkeld. Geen enkele diersoort vertoont muzikaliteit in dezelfde mate als mensen—al kunnen die niet zo goed zingen als sommige vogels. Het is dan ook redelijk om aan te nemen dat we afstammen van voorouders die minder muzikaal waren dan wij.
In theoretisch onderzoek over de evolutie van muzikaliteit spelen relaties tussen taal en muziek terecht een hoofdrol. Taal is voor ons mensen een belangrijk communicatiemiddel. Andere dieren beschikken niet over een taal die zo veel mogelijkheden biedt als de onze en voorouders in een grijs verleden beschikten ook niet over “echte” taal. Communicatie is niettemin voor veel andere dieren een levensvoorwaarde en bij onze voorouders was dat ook zo. Geluiden in de vorm van trommelen, roepen en zingen zonder woorden is voor de communicatie van wezens zonder taal vaak onmisbaar. Deze geluiden kun je vaak met recht opvatten als muziek in een ruime betekenis van het woord.
Muziek was er eerder dan taal. Wat zouden ze met elkaar te maken hebben? Voor de hand ligt de veronderstelling dat onze taal is voortgekomen uit muziek. Als je muziek niet ruim definieert dan kun je dit ook anders formuleren: Communicatie met geluiden die aan muziek doen denken ontwikkelden zich tot echte muziek en tot taal. De precieze formulering doet er niet toe; de twee beschrijvingen gaan over hetzelfde idee.
Het idee bestaat al lang. Het is bijvoorbeeld te vinden in een boek dat Charles Darwin, een van de belangrijkste evolutie-onderzoekers, publiceerde in 1871, twaalf jaar na het verschijnen van zijn beroemde Origin of species.
Bij mensen zijn muziek en taal nauw met elkaar verweven. Dat was vermoedelijk al lang geleden het geval. Waar muziekinstrumenten werden gebruikt gingen taal en muziek ongetwijfeld samen. Interessant is daarom een vondst die de bekende archeoloog Mithen noemt in een recent artikel: Het oudste door archeologen gevonden muziekinstrument, een ivoren fluit, werd ongeveer 36.000 jaar geleden gemaakt.
Veel modern hersenonderzoek heeft als doel de verwevenheid van muziek en taal in kaart te brengen. Onderzoekers met dit doel zijn bezig, nieuwe wielen uit te vinden. De verwevenheid is in grijze verledens al voldoende in kaart gebracht, om te beginnen in de Griekse oudheid. De negen goddelijke muzen van de Grieken, die kunsten en wetenschappen onder hun hoede hadden, waren niet voor niets zusters. De Grieken maakten geen onderscheid tussen muziek, poëzie en andere kunstzinnige uitingen omdat de diverse vormen van kunst los van elkaar geen betekenis zouden hebben. Kunst en wetenschap hingen voor hen ook nauw samen. Deze wenselijke samenhang is in onze cultuur verloren geraakt, iets wat de huidige tekortkomingen in het onderzoek over muzikaliteit helpt verklaren. Kunst en wetenschap waren voor de Grieken bovendien verbonden met religie, iets waar je brave borsten die hersenonderzoek doen zelden over hoort. Zijn we tegenwoordig nog wel goed wijs?

Muziek is van onschatbare waarde voor gezonde mensen—en dieren. Voor zieke mensen geldt dit natuurlijk ook. De rest van mijn verhaal is daaraan gewijd.
Het onderwerp muziek en ziekte valt op een natuurlijke manier uiteen in twee deelonderwerpen: muziek is heilzaam bij ziekte in het algemeen en er zijn veel afwijkingen, amusia’s, gekenmerkt door onvolledige vormen van muzikaliteit of het geheel ontbreken van muzikaliteit. Ik bespreek de deelonderwerpen in deze volgorde.
De heilzame werking van muziek wordt goed benut in de hedendaagse muziektherapie, in Nederland toegepast sinds 1960. In steeds meer ziekenhuizen en andere instellingen waar patiënten verblijven wordt de therapie nu toegepast en er zijn verscheidene opleidingen muziektherapie. Gedetailleerde gegevens kon ik niet te pakken krijgen. Ideaal zou een situatie zijn waarin iedere opgenomen patiënt van de therapie gebruik kan maken. Verder is toepassing van de therapie tijdens behandelingen vaak gewenst. Wetenschappelijke onderzoek heeft dwingend aangetoond dat dit tot een grote gezondheidswinst zou leiden. De ideale situatie is op geen stukken na gerealiseerd; er valt nog veel te doen.
Muziektherapie werkt vaak positief bij mensen met een ernstige psychische ziekte. In een in 2009 verschenen artikel is dit aangetoond in wetenschappelijk onderzoek dat aan de hoogste eisen voldoet. De therapie werkt ook gunstig bij de ziekte van Alzheimer, en bij kankeroperaties en operaties in het algemeen. Herhaaldelijk is aangetoond dat de therapie ook fysiologische processen gunstig beïnvloedt. De therapie leidt bijvoorbeeld tot lagere spiegels van stresshormonen en een betere immuunfunctie.
Helaas hebben artsen en verpleegkundigen die muziektherapie toepassen vaak weinig verstand van muziek. Samenwerking met muziektherapeuten is dan broodnodig. In Nederland is dit wellicht een minder groot probleem dan bijvoorbeeld in de VS.

De amusia’s, het ontbreken van “onderdelen” van muzikaliteit, of het helemaal ontbreken van muzikaliteit, vormen een grote, veelsoortige groep van vreemde afwijkingen. De veelsoortigheid hangt samen met de ingewikkeldheid van muziek en muzikaliteit waar ik mijn verhaal mee begon. Ik toonde aan dat de ingewikkeldheid en andere factoren leiden tot waardeloos hersenonderzoek.
Onderzoek over amusia’s volgt hetzelfde patroon. Een groot deel van het onderzoek is waardeloos omdat de onderzoekers afgaan op uiterst subtiele, dubieuze waarnemingen met hersenscans. De gevonden afwijkingen van muzikale vermogens zijn er niet minder reëel om. Het venijn zit in de staart van het eraan vastgeplakte hersenonderzoek.
Niet al het hersenonderzoek is echter waardeloos. Soms worden ernstige afwijkingen zichtbaar met scans en die moet je natuurlijk serieus nemen. Denk bijvoorbeeld aan hersentumoren en grote herseninfarcten. Ik beperk de bespreking hierna tot zulke duidelijke gevallen.
Het recente boek van de bekende neuroloog Oliver Sacks, Musicophilia, gepubliceerd in 2008, is de moeite van het lezen waard. Sacks portretteert allerlei mensen die iets bijzonders hebben met muziek, in de vorm van lekken en gebrekken of juist bijzondere begaafdheden—die kunnen verdwijnen door ongelukken of stress.
Sacks schrijft voor een groot publiek. Aan de grote toegankelijkheid van zijn boek hangt in de ogen van sommige hersenonderzoekers het prijskaartje van oppervlakkigheid. Dat is misschien waar, maar hij vermijdt tenminste de valkuilen waar de andere hersenonderzoekers regelmatig in terecht komen. De hersenonderzoekers produceren zelf bovendien schrijfsels die alleen voor ingewijden zijn te volgen. Omdat iedereen het boek van Sacks kan lezen, ontleen ik hierna alleen voorbeelden aan het werk van de andere hersenonderzoekers.
Het oudere onderzoek is vaak waardevoller dan het moderne doordat onderzoekers in vervlogen tijden nog geen last hadden van hersenscans. De moeite waard is bijvoorbeeld het onderzoek van August Knoblauch, arts en anatoom, die in 1880 en 1890 negen verschillende “muziekstoornissen” postuleerde. Hij introduceerde de overkoepelende term “amusia”. Lang voor hem wisten sommige onderzoekers ook al dat hersenbeschadigingen muzikale vermogens kunnen aantasten. Gall beschreef in 1825 een “muziekorgaan” in de hersenen dat muzikaliteit bij beschadiging aantast en Bouillaud beschreef in 1865 een hoogst interessant geval van een muziekstoornis: Een musicus met een hersenbeschadiging kon niet praten, schrijven en lezen terwijl hij wel kon zingen en componeren. Hij beschreef ook allerlei andere voorbeelden van amusia’s—toen nog niet zo genoemd. De onderzoekers Johnson & Graziano noemen Knoblauch als de eerste kenner van amusia’s. Ik vermoed dat ze het oudere werk niet kennen doordat ze de Franse taal die de oudere onderzoekers gebruikten niet beheersen.
Van veel beroemdheden is bekend dat ze leden aan problemen met muzikaliteit. Che Guevara had bijvoorbeeld weinig gevoel voor muziek. In de film “The motorcycle diaries” danst hij een tango terwijl het gezelschap om hem heen een levendige mambo danst, wat de bedoeling was.
De componist Robert Schumann leed aan muzikale hallucinaties. In 1854 hoorde hij eerst alsmaar de noot “A”. Die groeide gelukkig uit tot mooie muziek die hij opnam in zijn vioolconcert. De hallucinaties waren wellicht een symptoom van een psychische ziekte. Sommige onderzoekers menen dat het ging om syphilis in een ver gevorderd stadium, maar daar is bij autopsie niets van gebleken.

Om te voorkomen dat mijn verhaal te lang zou worden deed ik alleen maar een bescheiden greep uit de fascinerende veelheid aan beschreven muziekstoornissen. De stoornissen illustreren dat mensen uniek zijn, dat schijnbaar eenvoudige eigenschappen vaak ingewikkeld zijn en dat tussen schijnbaar verschillende eigenschappen soms verrassende relaties bestaan. Dit lijkt me een belangrijke les voor alle wetenschappen die het behandelen van mensen als doel hebben: geneeskunde, psychiatrie, klinische psychologie, neurowetenschap en ga zo maar door. Die vakken zouden moeten fuseren maar dat doen ze natuurlijk niet. Door het gebrek aan wetenschappelijke eenheid hebben we vaak meer aan het gezonde verstand dan aan de geleerdheid die de vakken over ons uitstorten.

Boven mijn achtertuin trekt soms om de paar minuten een vliegtuig haar geluidsspoor; ik woon vlakbij Schiphol. Vanmiddag was het weer even zo ver. Gelukkig kon ik radio 4 wat harder zetten. De Pavane pour un enfant défunte van Ravel overstemde de vliegtuigen.

Bronnen

De hoeveelheid wetenschappelijke literatuur over muzikaliteit is immens. In veel vakgebieden kun je er iets over vinden; om er een paar te noemen: biologie, neurologie, neurowetenschap, neuropsychologie, archeologie. Onderzoekers die erover publiceerden zijn soms thuis in meer dan één vakgebied. Daarom vermeld ik hun vakgebieden niet steeds. In veel onderzoek staan hersenen centraal. Daarom gebruik ik vaak kortheidshalve de term “hersenonderzoekers”.
Gegevens over het vermogen van sommige vogels om mee te bewegen op ritmes van muziek zijn te vinden in Fitch (2009), Patel et al (2009a en b) (kaketoe) en Schachner et al. (2009) (papegaaien, algemene overwegingen over imitatie in verband met muzikaliteit).
Sugimoto et al (2009) werkten met de jonge chimpansee die meer van consonante muziek hield dan van dissonante muziek. Het onderzoek met de grootorige apen werd uitgevoerd door Snowdon & Teie (2009). Remedios, Logothetis & Kayser (2009) deden het onderzoek over de drummende makaken. Met fMRI scans toonden ze aan dat bij het drummen bepaalde hersengebieden actief zijn.
Dat muzikaliteit niet één vermogen is maar een verzameling van vermogens waarbij verschillende hersengebieden betrokken zijn, is aangetoond in veel onderzoek, voor een groot deel recent. Zie bijvoorbeeld Sacks (2008), Alossa & Castelli (2009), Koelsch (2009). en Kraus et al (2009). De muzikale vermogens hangen nauw samen met andere vermogens. Koelsch (2009) constateert bijvoorbeeld dat het luisteren naar en het beoefenen van muziek emoties, percepties en sociale processen beïnvloedt—en de hersengebieden die daarbij betrokken zijn. Daar moeten we bij muziektherapie rekening mee houden, zo suggereert hij.
Met indelingen van zulke vermogens moeten we echter uitkijken. Uttal (2001, 2007) levert terecht scherpe kritiek op allerlei expliciete en impliciete indelingen van de psyche, waarbij hij vooral onderzoek met scans op het oog heeft, en Bennett & Hacker (2003) en Rockwell (2005) kritiseren de algemeen voorkomende neiging om psychische eigenschappen toe te schrijven aan hersenen in plaats van personen. In de column “De geest is weg; leve de geest” heb ik dit verder uitgewerkt. De nadruk op hersenen is ook in een ander opzicht misleidend. De rest van het lichaam krijgt te weinig aandacht. Die rest verdient dat niet. Het volgende interessante voorbeeld suggereert dat muziek het lichaam ingrijpend kan beïnvloeden. Erken et al (2008) deden onderzoek over klassieke muziek en rock muziek met ratten. Ze vonden dat rode bloedlichaampjes van de dieren met klontering “reageren” op de muziek. De klontering was bij klassieke muziek sterker dan bij rock muziek.
Chaudhury, Nag & Wadhwa (2008) deden het onderzoek waarbij bleek dat muziek de ontwikkeling van hersenen beïnvloedt bij kuikens voor ze uit het ei komen. Trainor, Shahin & Roberts (2009) laten zien dat muziekles bij kinderen veranderingen in de hersenen veroorzaakt en dat musici karakteristieke hersenstructuren hebben. Ook uit het overzicht van Kraus et al (2009) blijkt dat training in muziek de hersenen verandert. Azizi (2009) toonde aan dat bij pianisten de structuur van de hersenen verandert door het piano spelen. Interessant is vooral het onderzoek van Mithen (2009), die op latere leeftijd zangles nam omdat hij wilde weten of muziek zijn hersenen zou veranderen. Dat bleek het geval te zijn. Bezig zijn met muziek is overigens bepaald niet de enige activiteit die onze hersenen verandert. Je hersenen worden bijvoorbeeld ook anders als je een tijdje taxichauffeur bent (Maguire et al, 2000); zie de column “De geest is weg; leve de geest”.
Met de stelling dat onderzoek met apen en mensapen aantoont dat we onze muzikaliteit erfden van dieren waar we van afstammen moet je voorzichtig zijn. Dat heb ik in de hoofdtekst toegelicht. De beste verdediging van de stelling die ik kon vinden is die van Mithen (2009). Zijn analyse is gedetailleerd en plausibel doordat hij heel verschillende gegevens met elkaar verbindt, maar niettemin speculatief.
Bronnen bij het intermezzo. Muziek en muziektheorie speelden al in de Griekse oudheid (500 voor Chr.—400 na Chr.) een rol. De beste mij bekende bron met informatie daarover is het omvangrijke standaardwerk van Grout & Palisca, Geschiedenis van de Westerse muziek (Nederlands vertaling, eerste Engelse editie 1988; met de Griekse oudheid begint het boek) Muziek in niet-Westerse culturen bespreken zij niet; informatie daarover is gemakkelijk te vinden op internet (trefwoorden bijvoorbeeld: sitar, raga, voor Indiase muziek). Alle gegevens over de Griekse oudheid in de column ontleende ik aan dit standaardwerk. Voor meer gegevens over muziek en muziektheorie gebruikte ik veel andere bronnen, hier niet vermeld.
De zogenoemde kerktoonsoorten (dorisch, frygisch, lydisch, myxolidisch) werden in Europa gebruikt tussen 500 en 1500. Ze zijn gebaseerd op diatonische toonladders die van elkaar verschillen in de plaats van de twee halve-toonsafstanden in de toonladder. In overwegend protestantse landen raakten deze in onbruik na de Reformatie; denk bijvoorbeeld aan Duitsland, en aan Bach; de oude psalmmelodieën zijn echter een uitzondering. In het overwegend katholieke Frankrijk zijn ze niet verdwenen. In protestantse muziek gingen majeur en mineur (halve-toonsafstanden op andere plaatsen) domineren.
Een belangrijker verschil tussen protestante en katholieke kerkmuziek (niet wereldlijke muziek) is dat de katholieke muziek in de vorm van Gregoriaans veel ouder is en in samenhang daarmee radicaal niet-metrisch. De protestantse psalmen zijn min of meer metrisch en daardoor minder rijk.
Dorische klanken zijn inmiddels weer overvloedig aanwezig in de popmuziek. De hedendaagse modern-klassieke muziek is een ratjetoe. Het zou te ver voeren om dat ook nog te bespreken.
Het zou me niet verbazen wanneer niet alleen mensen maar ook hun huisdieren gevoelig zijn voor de muziek waar ze mee opgroeien. Misschien zijn sommige huisdieren wel gevoelig gemaakt voor protestantse muziek, andere voor katholieke muziek—ik formuleer wat ik op het oog heb wat simplistisch; de bedoeling zal hoop ik overkomen. Inmiddels zal hoe dan ook duidelijk zijn dat het verre van eenvoudig is om bij experimenten met gezonde mensen en dieren de gebruikte muziek nauwkeurig te karakteriseren. Omdat herhaaldelijk is aangetoond dat de aard van de toegepaste muziek invloed heeft op hersenprocessen, geef ik voor het onderzoek geen cent.
Onderzoek over hersenbeschadigingen met gevolgen voor muzikaliteit is wat minder problematisch maar niettemin dubieus als de erbij betrokken onderzoekers geen verstand hebben van muziek. Einde van bronnen bij het intermezzo.
Dat Darwin (1871) veel aandacht gaf aan muziek en taal is niet erg bekend. Hij veronderstelde dat muziek en taal zijn voortgekomen uit primitieve vormen van communicatie die het meest lijken op muziek. Recent onderzoek toont aan dat hij gelijk had; zie bijvoorbeeld Masataka (2007), en Mithen (2009), die ook de interessante vondst meldt van een 36.000 jaar oude fluit. Het belangrijkste werk van Darwin (1859) is terecht beroemd. Hij publiceerde daarnaast veel andere boeken en artikelen, de meeste genegeerd terwijl we veel van hem kunnen leren. Vaak zijn opvattingen over evolutie verwoord in wetenschappelijke boeken en artikelen, en in verhalen in populaire media, ook in een ander opzicht eenzijdig. Meestal wordt de indruk gewekt dat Darwin de schepper is van de evolutietheorie met natuurlijke selectie als kernpunt. Hij was in werkelijkheid niet de enige. Wallace ontdekte het belang van natuurlijke selectie tegelijk met en onafhankelijk van hem. Vóór Darwin en Wallace publiceerden ook velen over evolutie. Al in de Griekse oudheid werden theorieën over evolutie gepubliceerd. Om mijn verhaal niet nóg langer te maken werk ik dit niet uit en vermeld ik geen bronnen. De genoemde eenzijdigheden zijn niettemin het signaleren waard. Ze illustreren net als eenzijdige opvattingen over muziek (zie intermezzo) dat het belang van historisch onderzoek wordt onderschat.
Gold et al (2009) vonden positieve effecten van muziektherapie bij ernstige psychische ziektes. Patiënten met de ziekte van Alzheimer in een beginstadium worden minder angstig en depressief als ze muziektherapie krijgen (Guen et al, 2009). Onderzoek over de positieve waarde van de therapie bij hersenoperaties werd gepubliceerd door Walworth et al (2008). Zij vonden een vermindering van fysiologische en psychologische stress. Leardi et al (2009) onderzochten de vermindering van stres voor en tijdens operaties, waarbij de therapie het immuunsysteem en hormonen beïnvloedt. Bijzonder waardevol is het artikel van Olofsson & Fossum (2009) in een verpleegkundig tijdschrift. Zij wijzen er expliciet op dat muziektherapie regelmatig wordt toegepast bij de behandeling van kanker terwijl niet voldoende kennis van muziek aanwezig is.
Het uitgebreide overzichtsartikel van Stewart et al (2006) van literatuur over hersenen en muziek geeft een voortreffelijk beeld van de huidige standvan zaken. Ze bespreken zowel gewone muzikaliteit als afwijkingen daarvan, met de nadruk op hersenfuncties. De in de hoofdtekst gesignaleerde eenzijdigheden zijn overduidelijk aanwezig, maar het artikel bevat ook veel waardevols. De hoeveelheid afwijkingen die zij beschrijven is indrukwekkend groot. In het overzichtsartikel van Alossa & Castelli (2009) vinden we dezelfde aanpak, maar het biedt een algemener raamwerk en is daardoor leesbaarder. De negatieve en positieve punten komen overeen met die in het artikel van Stewart et al.
Het boek van Sacks (2008) is de moeite waard. Hij beschrijft tal van interessante gevallen van amusia. Hij gebruikt dit begrip zelf niet. Dat is begrijpelijk: als neuroloog is hij vooral geïnteresseerd in “zware” gevallen waarbij soms grote herseninfarcten spelen. De amusia’s van neuropsychologen gaan vaak maar niet altijd over lichtere gevallen. De neuroloog McDonald gebruikt de term “musical alexia”. Hij beschrijft zijn eigen geval. Na een herseninfarct waren veel van zijn vaardigheden aangetast en was zijn grote muzikaliteit—hij speelde goed piano.—verdwenen. Door stug oefenen herstelde hij voor een groot deel; zijn muzikaliteit kwam ook grotendeels terug. Moedgevend is het dat revalidaties bij een ernstig infarct soms goed uitpakken.
Johnson & Graziano (2003) ontrukten het werk van August Knoblauch, die amusia’s introduceerde in 1880 en1890, aan de vergetelheid. Alossa & Castelli vermelden het werk van Gall en van Bouillaud. De voorbeelden van CheGuevara en Schumaan haalde ik uit Stewart et al (2006).

Literatuur

  1. Alossa, N. & Castelli, L. (2009). Amusia and musical functioning. European Neurology, 61, 269-277.
  2. Azizi, S.A. (2009). Brain to music to brain! Neuroscience Letters, 459, 3-6.
  3. Bennett, M.R. & Hacker, P.M.S. (2003). Philosophical foundations of neuroscience. Oxford: Blackwell Publishing.
  4. Chaudhury, S., Nag, T.C. & Wadhwa, S. (2008). Calbindin D-28K and parvalbumin expression in embryonic chick hippocampus is enhanced by prenatal auditory stimulation. Brain Research, 1191, 96-106.
  5. Darwin, C.R. (1871). The descent of man and selection in relation to sex. London: John Murray.
  6. Darwin, C.R. (1859). On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life. London: John Murray.
  7. Erken G., Bor Kucukatay, M., Erken, H.A., Kursunluoglu, R. & Genc, O. (2008). Influence of classical and rock music on red blood cell rheological properties in rats. Medical Science Monitor, 14, BR 28-33.
  8. Fitch, W.T. (2009). Biology of music: another one bites the dust. Current Biology, 19, R403-R404.
  9. Gold, C., Solli, H.P. , Krüger, V. & Lie, S.A. (2009). Dose-response relationship in music therapy for people with serious mental disorders: systematic review and meta-analysis. Clinical Psychology Reviews, 29, 193-207.
  10. Grout, D.J. & Palisca, C.V. (2006). Geschiedenis van de Westerse muziek. Achtste druk. Olympus (eerste druk 1994, Contact; Nederlandse vertaling; eerste druk “A history of Western music” 1988).
  11. Guetin, S., Portet, F., Picot, M.C., Defez, C., Pose, C., Blayac, J.P. & Touchon, J. (2009). Impact of music therapy on anxiety and depression for patients with Alzheimer’s disease and on the burden felt by the main caregiver (feasibility study) (article in French). Encephale, 35, 57-65.
  12. Johnson, J.K. & Graziano, A.B. (2003). August Knoblauch and amusia: a nineteenth-century cognitive model of music. Brain and Cognition, 51, 102-114.
  13. Koelsch, S. (2009). A neuroscientific perspective on music therapy. Annals of the New York Academy of Sciences, 1169, 374-384.
  14. Kraus, N., Skoe, E., Parbery-Clark, A. & Ashley, R. (2009). Experience-induced malleability in neural encoding of pitch, timbre, and timing. Annals of the New York Academy of Sciences, 1169, 543-57.
  15. Leardi, S., Pietroletti, R., Angeloni, G., Necozione, S., Ranalletta, G. & Del Gusto B. (2007). Randomized clinical trial examining the effect of music therapy in stress response to day surgery. British Journal of Surgery, 94, 943-947.
  16. Maguire, E.A., Gadian, D.G., Johnsrude, I.S., Good, C.D., Ashburner, J., Frackowiak, R.S.J. & Frith, C.D. (2000). Navigation-related structurele changes in the hippocampi of taxi drivers. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 97, 4398 4403.
  17. Masataka, N. (2007). Music, evolution and language. Developmental Science, 10, 35-39.
  18. McDonald, I. (2006). Musical alexia with recovery: a personal account. Brain, 129, 255-256.
  19. Mithen, S. (2009). The music instinct: the evolutionary basis of musicality. Annals of the New York Academy of Sciences, 1169, 3-12.
  20. Olofsson, A. & Fossum, B. (2009). Perspectives on music therapy in adult cancer care: a hermeneutic study. Oncology Nursing Forum, 36, E223-E231.
  21. Patel, A.D., Iversen, J.R., Bregman, M.R. & Schulz I. (2009a). Experimental evidence for synchronization to a musical beat in a nonhuman animal. Current Biology, 19, 827-830.
  22. Patel, A.D., Iversen, J.R., Bregman, M.R. & Schulz I. (2009b). Studying synchronization to a musical beat in nonhuman animals. Annals of the New York Academy of Sciences, 1169, 459-469.
  23. Remedios, R., Logothetis, N.K. & Kayser, C. (2009). Monkey drumming reveals common networks for perceiving vocal and nonvocal communication sounds. Proceedungs of the National Academy of Sciences of the USA, 1 october (Epub ahead of print).
  24. Rockwell, W.T. (2005). Neither brain nor ghost. A non-dualist alternative to the mind-brain identity theory. Cambridge, Massachusetts: MIT Press.
  25. Sacks, O. (2008). Musicophilia. Tales of music and the brain. New York & Toronto: Alfred A. Knopf.
  26. Schachner, A., Brady, T.F., Pepperberg, I.M. & Hauser, M.D. (2009). Spontaneous motor entrainment to music in multiple vocal mimicking species. Current Biology, 831-836.
  27. Snowdon, C.T. & Teie, D. (2009). Affective responses in tamarins elicited by species-specific music. Biology Letters, 2 september (Epub ahead of print).
  28. Stewart, L., Von Kriegstein, K., Warren, J.D. & Griffiths, T.D. (2006). Music and the brain: disorders of musical listening. Brain, 129, 2553-2553.
  29. Sugimoto, T., Kobayashi, H., Nobuyoshi, N., Kiriyama, Y., Takeshita, H., Nakamura, T. & Hashiya, K. (2009). Preference for consonant music over dissonant music by an infant chimpanzee. Primates, 22 juli (Epub ahead of print).
  30. Trainor, L.J., Shahin, A.J. & Roberts, L.E. (2009). Understanding the benefits of musical training: effects on oscillatory brain activity. Annals of the New York Academy of Sciences, 1169, 133-142.
  31. Uttal, W.R. (2001). The new frenologie. The limits of localizing cognitive processes inthe brain. Cambrodge, Mass. & London: MIT Press.
  32. Uttal, W.R. (2007). The immeasurable mind. The real science of psychology. New York: Prometheus books.
  33. Walworth, D., Rumana, C.S., Nguyen, J. & Jarred, J. (2008). Effects of live music therapy sessions on quality of life indicators, medications administered and hospital length of stay for patients undergoing elective surgical procedures for brain. Journal of Music Therapy, 45, 349-359.

Deze publicatie is onderdeel van het column van prof. dr. Wim J. Van der Steen, klik hier voor meer publicaties van de auteur.

 

Boeken van de auteur

Beyond Boundaries of Biomedicine Denken over geneeskunde Evolution as Natural History Geneeskunde tussen Geleerdheid en Gezond Verstand
 

Seroquel dodelijk?

Labels

Links

Meta

Statistieken

Bezoekers (details)


Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
0900 444 8888 (10 cent/pm)
helpdesk@pvp.nl
MindFreedom International (MFI) Nederlands Comite voor de Rechten van de Mens (NCRM) International Association Against Psychiatric Assault (IAAPA)
Emil Ratelband - Geef je kind geen pillen maar een Seminar!