Zielenknijper.nl

Een kritische kijk op de praktijk van de psychiatrie!
Schade door psychiatrische medicijnen?
Gratis juridische hulp: 0800-4445005
 
 
Stand.nl NCRV

“Psychiatrie is een malversatie en moet beëindigd worden“

Update: De psychiatrie houdt zich al 7 jaar stil

Chronische vermoeidheid: geen onoplosbaar probleem

Datum: 4 november 2009, 07:57
Tekst gepubliceerd 4 november 2009. Copyright © prof. dr. Wim J. van der Steen. Plaatsing van de tekst door derden in enig ander medium is niet toegestaan zonder toestemming van de auteur. Weergave van kleine gedeelten of van de kern van de inhoud is toegestaan, mits de bron (auteur, titel, gegevens website, datum) expliciet worden vermeld.

Chronische vermoeidheid is niet een ziekte. In gedachten hoor ik al de protesten van patiënten die langdurig ziek zijn van moeheid. Om misverstanden te voorkomen druk ik me wat nauwkeuriger uit: Chronische vermoeidheid is niet één ziekte maar een verzameling van allerlei verschillende manieren van ziek zijn.

De gangbare ziektetaal suggereert dat het wél om één ziekte gaat: chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) ofwel myalgische encephalitis (ME). De afkorting CVS en uitdrukkingen zoals “de ziekte” zal ik ook zelf gebruiken om mijn verhaal niet onnodig ingewikkeld te maken.
Mensen met CVS zijn niet alleen maar langdurig moe. CVS-patiënt ben je pas als je ook een aantal andere symptomen hebt, zoals pijnlijke spieren en concentratiestoornissen. De symptomen zijn niet bij alle patiënten hetzelfde.

Chronische vermoeidheid

Chronische vermoeidheid

CVS staat tegenwoordig bekend als echte ziekte. Dat is niet altijd zo geweest. Een jaar of tien geleden werd CVS nog vaak gezien als een kwaal die tussen de oren zit en alleen maar “psychisch” is. Inmiddels weten we beter. De patiënten zijn er fysiek niet goed aan toe. Bij hen zijn afwijkende hormoonspiegels en afwijkingen in het functioneren van het zenuwstelsel gevonden. Sommige onderzoekers concluderen daaruit dat afwijkende hersenprocessen een rol spelen bij het ontstaan van CVS. Deze wat eenzijdige veronderstelling plaatst de oorzaak van CVS opnieuw tussen de oren. De psyche is nu alleen vervangen door het brein.
De meeste onderzoekers menen dat de oorzaak van CVS niet bekend is. De afwijkingen in het hormoonsysteem en het zenuwstelsel zijn soms markante symptomen, maar die kunnen het gevolg zijn van CVS, niet een oorzaak. Ik denk zelf dat oorzaken (meervoud!) wel degelijk bekend zijn en dat wat bekend is therapeutische mogelijkheden biedt. De oorzaken zijn alleen niet bij alle patiënten precies hetzelfde en je moet in uithoeken van de wetenschappelijke literatuur zoeken om er iets over te vinden. De uithoeken komen later in beeld. Voor een goed begrip ervan moeten we eerst stilstaan bij het bekende gegeven dat CVS altijd of vrijwel altijd optreedt na een virusinfectie, wat suggereert dat er iets mis is met het afweersysteem (immuunsysteem).
Virussen spelen een rol bij CVS, maar dit hoeft niet te betekenen dat een virus de enige oorzaak is. Er moet meer aan de hand zijn, want virussen die bij sommigen de aanzet zijn van CVS laten anderen onberoerd. Er zijn onderzoekers die menen dat er nog meer redenen zijn om een virusinfectie niet als hoofdoorzaak te zien: Vaak blijft vermoeidheid na een virusinfectie lang bestaan terwijl het virus inmiddels niet meer is aan te tonen. Dit zegt echter niet veel. Virussen kunnen zich op bepaalde plaatsen in het lichaam verstoppen zodat ze moeilijk zijn op te sporen.
Dat virussen een rol spelen in het geheel van oorzaken wordt bevestigd door het feit dat antivirale middelen soms een positief effect hebben. Met het middel valacyclovir zijn bijvoorbeeld positieve resultaten bereikt bij patiënten die CVS krijgen na de ziekte van Pfeiffer. Antivirale middelen zijn soms ook werkzaam tegen moeilijk op te sporen enterovirussen die CVS kunnen veroorzaken.
Redelijk is de veronderstelling dat het afweersysteem (immuunsysteem) niet goed werkt bij CVS-patiënten. Ze kunnen zich namelijk niet zo verweren tegen de virusboosdoener dat die weinig ellende veroorzaakt. De veronderstelling is bevestigd in het onderzoek. Een ontregeld afweersysteem is vermoedelijk de oorzaak van de geconstateerde afwijkingen van het hormonensysteem en het zenuwstelsel.
Zo komen we terecht we bij de vraag wat de afwijkingen in het afweersysteem verklaart. Het antwoord op die vraag kunnen we het best zoeken in gebieden van de wetenschap waar de geneeskunde te weinig aandacht aan geeft. Die bespreek ik hierna.
Psychosociale factoren hebben om te beginnen veel invloed op het immuunsysteem. Daar gaat het vakgebied psychoneuroimmunologie over, een vakgebied dat nauwelijks is doorgedrongen tot de praktijk van de geneeskunde. Inderdaad spelen bij CVS psychosociale factoren vaak een rol. Herhaaldelijk is gevonden dat CVS-patiënten geleden hebben onder trauma’s in de kinderjaren zoals emotionele verwaarlozing of seksueel misbruik. Dit is overigens niet altijd het geval: De oorzaken van CVS zijn veelsoortig en niet in alle gevallen hetzelfde. Als trauma’s een rol speelden, dan kan psychotherapie verlichting geven.
Voeding hoort ook een belangrijk aandachtspunt te zijn. Omdat onze Westerse voeding verre van ideaal is, ligt de veronderstelling voor de hand dat niet optimaal eten vaak één van de oorzaken is van CVS. Bij CVS-patiënten zijn inderdaad allerlei tekorten aan voedingsbestanddelen gevonden die het immuunsysteem negatief beïnvloeden. Vaak gaat het om stoffen waarvan bekend is dat onze diëten ze te weinig bevatten. Voorbeelden zijn: foliumzuur, omega-3 vetzuren (aanwezig in visolie), zink en glyconutriënten. Regelmatig is gevonden dat patiënten met tekorten positief reageren op toevoeging van de betreffende stoffen aan het dieet. Met kruiden zijn overigens ook positieve resultaten bereikt.
Bij CVS patiënten zijn dagnachtritmes (zogenoemde circadiane ritmes) vaak verstoord. Dat is geen wonder. Grote moeheid leidt al gauw tot een verstoring van activiteitspatronen. Voortzetting van lopende sociale contacten is moeilijk voor de patiënten. Dat alleen al verstoord dagnachtritmes: Die worden niet alleen in het gareel gehouden door de wisseling van licht en donker, maar ook door regelmaat in het sociale leven ( en eten op vaste tijdstippen). Door toediening van het ritmiekhormoon melatonine kunnen ontregelde ritmes in het gareel raken. Sommige patiënten reageren er positief op. Afwijkende dagnachtritmes worden gemakkelijk in stand gehouden bij slapeloosheid, waar CVS-patiënten soms aan lijden. Als je slecht slaapt en ’s nachts af en toe het licht aan doet, dan loop je de kans dat de slapeloosheid chronisch wordt doordat blauw licht, en wit licht met blauw erin, melatonine in het lichaam afbreekt. Rood licht kan uitkomst bieden, want het leidt niet tot afbraak van melatonine. Het hervinden van regelmaat in sociale contacten zou het opheffen van ritmiekstoornissen ook bevorderen. Dat kan echter moeilijk zijn, want van CVS word je bepaald niet vrolijk en dat kan negatieve reacties van anderen uitlokken. Daardoor ontstaan gemakkelijk vicieuze cirkels.
Milieuvervuiling zou wel eens de belangrijkste oorzaak kunnen zijn van CVS. Toxicologen hebben aangetoond dat chemische verontreiniging het immuunsysteem van kinderen kan aantasten, met CVS op latere leeftijd als gevolg. De verontreiniging bevordert ook andere chronische ziektes. Vaak kunnen we weinig doen aan deze bron van ziekte. We kunnen er echter wel voor zorgen dat het immuunsysteem niet nog meer wordt aangetast door voeding die niet optimaal is. Biologische voeding zonder chemische toevoegingen is natuurlijk vooral aan te bevelen.
Medicijnen zij ook een belangrijke bron van chemische verontreiniging. Doordat de farmaceutische industrie tegenwoordig veel macht heeft, slikken we op grote schaal medicijnen die voornamelijk kwalijke bijwerkingen hebben. Bekende voorbeelden zijn antidepressiva en maagzuurremmers. Vooraanstaande onderzoekers menen dat een algeheel verbod op antidepressiva gewenst is. Maagzuurremmers hebben een zeker nut bij maagzweren. Bij minder erge maagklachten zijn ze zonder meer af te raden.
De medicijnen veroorzaken schade aan mitochondriën, onderdelen van onze cellen die zorgen voor de energiehuishouding. Vooral patiënten met CVS zouden dan ook voorzichtig moeten zijn met medicijngebruik, want bij hen is de energiehuishouding toch al in het ongerede.
Bijonderzoek in de VS is gebleken dat patiënten met CVS juist meer medicijnen gebruiken dan anderen. De kans is groot dat dit ook in Nederland het geval is; precieze gegevens hierover zijn mij niet bekend.
De kans is groot dat je door het gebruik van bepaalde medicijnen CVS in stand houdt.

Therapeutische mogelijkheden om CVS te lijf te gaan zijn er te over. Veel van de mogelijkheden die ik noemde worden niet optimaal benut. Het is alleen niet eenvoudig om te ontdekken welke mogelijkheden een bepaalde patiënt het best kan benutten, want de precieze oorzaken van CVS verschillen van patiënt tot patiënt.

Ik gaf een paar voorbeelden van vicieuze cirkels die CVS in stand kunnen houden. Eén mogelijke cirkel noemde ik nog niet. Chronische vermoeidheid leidt al gauw tot weinig lichaamsbeweging. Daardoor raken spieren afvalstoffen minder goed kwijt en dat kan weer vermoeidheid bevorderen. Massage van grote spieren, bijvoorbeeld dijbeenspieren, zou uitkomst kunnen bieden.

Met mijn verhaal bestreed ik de opvatting dat we de oorzaken van CVS niet kennen en dat geen goede behandeling bekend is. Het huidige onderzoek is blijkbaar te eenzijdig. Veel onderzoekers houden zich bezig met superspecialistische details. Daar moeten we het niet van hebben. We hebben een brede kijk op wetenschap nodig en veel gezond verstand.

Bronnen

Verscheidene onderzoekers, bijvoorbeeld Sanders & Korf (2008), hebben betoogd dat CVS niet één ziekte is maar een verzameling van verschillende, somatische ziektes. De beschikbare onderzoeksresultaten ondersteunen deze veronderstelling. Het zoeken naar de oorzaak van de ziekte is dan ook niet erg zinvol.
Afwijkingen in het zenuwstelsel en hormonale afwijkingen zijn vaak geconstateerd bij CVS. Dit is voor sommige onderzoekers aanleiding om de hersenen centraal te stellen. Volgens Chen et al (2008) komen bij scans afwijkende hersenprocessen in beeld. Grinde (2008) veronderstelt dat, als een virus er door een of andere oorzaak in slaagt de bloedhersenbarriére te passeren, grote virulentie kan ontstaan doordat de hersenen minder dan andere delen van het lichaam aan virussen gewend zijn. Het immuunsysteem zou daardoor minder adequaat reageren.
Candida albicans, een gist, kan volgens sommigen een oorzaak zijn van CVS. Als dit juist zou zijn, dan zou een dieet met weinig suiker een positief effect moeten hebben. Zo’n dieet werkt echter niet beter dan gewoon gezond eten (Hoboday et al, 2008). Borrelia burgdorferi, de bacterie die de ziekte van Lyme veroorzaakt, is ook beschouwd als mogelijke oorzaak. Bij CVS optredend na besmetting is de bacterie na verloop van tijd echter niet meer aan te tonen (Marques, 2008).
Aan CVS gaat altijd of vrijwel altijd een virusinfectie vooraf. Sommige onderzoekers, bijvoorbeeld Jones (2008), veronderstellen dat de infectie de langdurige moeheid niet verklaart, omdat na verloop van tijd geen virus meer is aan te tonen. Deze veronderstelling gaat bepaald niet altijd op: In veel gevallen is aangetoond dat virussen zich kunnen “verstoppen” op bepaalde plaatsen in het lichaam, zodat ze moeilijk zijn te vinden. Retrovirussen kunnen zich het best verstoppen. Die gaan deel uitmaken van ons erfelijke materiaal, DNA. Terwijl ik dit schrijf is een hype aan de gang rondom het retrovirus XMRV, volgens sommige onderzoekers wellicht de oorzaak van CVS (bronnen zijn gemakkelijk op Internet te vinden). De discussies over het virus suggereren dat niet eerder is aangetoond dat een virus een rol speelt bij CVS, maar dat is onjuist. We weten al lang dat bepaalde virussen een rol spelen. Het gaat alleen niet altijd om hetzelfde virus, en we moeten ons ook realiseren dat infectie met een virus niet de enige oorzaak is van CVS.
Soms is Parvovirus B 19 de boosdoener. Seishima et al (2008) betwijfelen of infectie met dit virus de chronische moeheid verklaart die na besmetting kan optreden, want ze kunnen het virus na verloop van tijd niet meer vinden. Hun visie is vermoedelijk niet juist, want het virus kan zich goed verstoppen in het maagdarmkanaal (Frémont et al, 2009).
CVS kan ook optreden door infectie met het Epstein-Barr virus, oorzaak van de ziekte van Pfeiffer (Klimas & Koneru, 2007; Bellmann-Weiler et al, 2008), vooral bij psychologische stress (Kerr & Mattey, 2008). Het antivirale middel valacyclovir heeft in dat geval vaak een gunstig effect (Lerner et al, 2007). Een positief effect van antivirale middelen is ook gevonden bij CVS-patiënten die besmet waren met enterovirussen (Chia, 2005). De besmetting is soms moeilijk aan te tonen. Enterovirus VP 1, bij patiënten met maagklachten vaker aanwezig dan bij gezonde mensen, kan zich bijvoorbeeld nestelen in de maagwand en is dan alleen aan te tonen met een biopsie; de besmetting kan jarenlang duren (Chia & Chia, 2008; Chia et al, 2009).
Een ontregeld immuunsysteem is door veelonderzoekers bij CVS aangetoond; zie bijvoorbeeld Nijs & Frémont (2008) en Lorusso et al (2009). Vreemd genoeg beschouwen de Groningse onderzoekers Sanders & Korf (2008), werkzaam in de psychiatrie, de hypothese dat het immuunsysteem een sleutel zou zijn voor het verklaren van CVS als zwak. Ze constateren tevens dat geen virus altijd is gevonden bij CVS. Dit betekent echter niet dat virussen onbelangrijk zijn: Meer dan één virus speelt blijkbaar een rol bij CVS.
Psychosociale factoren spelen vaak een grote rol bij CVS; die factoren kunnen het immuunsysteem beïnvloeden. Trauma’s tijdens de kinderjaren vergroten de kans op het later ontstaan van CVS (Heim et al , 2009). Psychotherapie valt dan ook te overwegen. Sommige, niet alle, patiënten hebben baat bij cognitieve gedragstherapie (Sanders & Korf, 2008). Niet duidelijk is of deze therapie beter werkt dan andere therapieën (Price et al, 2008). Volgens sommige onderzoekers zijn veel psychotherapieën even effectief door factoren zoals warm menselijk contact die ze gemeenschappelijk hebben (zie de column “Psychotherapie in plaats van pillen: welke therapie?”).
Omdat onze Westerse voeding verre van ideaal is, ligt de veronderstelling voor de hand dat niet optimaal eten vaak één van de oorzaken van CVS is. Voorbeelden ontleend aan recente literatuur: Lundell et al (2006) constateren dat infectie met Epstein-Barr virus kan leiden tot CVS en dat daarbij tekorten aan foliumzuur optreden in samenhang met een ontregeld immuunsysteem. Ze constateren dat foliumzuur vaak positief werkt bij de patiënten. Iets dergelijk geldt voor omega-3 vetzuren, met visolie als belangrijke bron, en het mineraal zink (Maes, Mihaylova & Leunis, 2005; voor zink, zie ook Maes, Mihaylova & De Ruyter, 2005) en voor glyconutriënten, suikers die uitgangspunt zijn voor de ten onrechte weinig bekende glycoproteïnen (See et al, 1998). Veel valt ook te verwachten van bepaalde kruiden. Myelophil, een preparaat met Astragalus membranaceus en Salvia miltiorrhiza, werkt bijvoorbeeld blijkens dubbelblind onderzoek positief bij vermoeidheid (Cho et al, 2009).
Dagnachtritmes ofwel circadiane ritmes spelen bij tal van ziektes een rol (Van der Steen & Ho, 2006; Van der Steen, 2008). Dat geldt ongetwijfeld ook voor CVS. Bij patiënten zijn bijvoorbeeld afwijkingen gevonden in het dagnachtritme van het stresshormoon cortisol (Nater et al, 2008) en van de bloeddruk, die bij de veel patiënten bovendien laag is (Newton et al, 2009). Toediening van melatonine, het ritmiekhormoon, heeft bij patiënten waarbij het dagnachtritme naar achteren is verschoven vaak een gunstig effect bij inname een uur of vijf voordat de concentratie van het hormoon in het lichaam toeneemt (Van Heukelom et al, 2006).
Het belangrijkste onderzoeksgebied dat meer aandacht verdient is ongetwijfeld een deelgebied van de toxicologie dat zich bezig houdt met milieuverontreiniging. We krijgen tegenwoordig tal van xenobiotica binnen. Deze uitdrukking betekent: stoffen die vreemd zijn aan het leven. Chemische verontreiniging is alomtegenwoordig. Vreemde stoffen krijgen we binnen via de lucht, het water, ons voedsel. De stoffen kunnen het immuunsysteem in ontwikkeling van kinderen ontregelen. Dat kan bij het ouder worden leiden tot afwijkende hormoonspiegels en afwijkingen in het zenuwstelsel die optreden bij CVS. Die afwijkingen krijgen veel aandacht in het onderzoek over CVS terwijl de invloed van milieuverontreiniging op het immuunsysteem veel belangrijker is. De milieuverontreiniging verklaart vermoedelijk de toename van allerlei chronische ziektes bij kinderen (Dietert & Dietert, 2007, 2008; Dietert, 2009). Dietert & Dietert (2007) menen dat kruiden een goede mogelijkheid bieden om de ontstane schade teniet te doen.
Medicijnen zijn ook een belangrijke bron van chemische verontreiniging. Tegenwoordig worden onnodig veel medicijnen geslikt. Van veel medicijnen is bekend dat ze gemiddeld geen positieve effecten hebben maar wel veel negatieve effecten. Antidepressiva zijn een bekend voorbeeld. Die worden op grote schaal geslikt terwijl vooraanstaande onderzoekers al lang hebben aangetoond dat ze meer kwaad dan goed doen. Zie bijvoorbeeld de uitstekende overzichten van Healy (2004), Breggin (2008), Moncrieff (2008) en Kirsch (2009). Grondige kritiek is ook te vinden in Van der Steen (2009). De farmaceutische industrie weet echter te bewerkstelligen dat het gebruik van de middelen nog steeds toeneemt. Helaas worden de middelen ook regelmatig gebruikt bij CVS, al bestaan hierover wetenschappelijke meningsverschillen (Pae et al, 2009). Op zich is het niet verbazingwekkend dat artsen op de gedachte komen om antidepressiva voor te schrijven bij CVS. Je wordt bepaald niet vrolijk wanneer je alsmaar moe bent. Je hebt dan blijkbaar een psychische ziekte: depressie. En dan moet je natuurlijk antidepressiva slikken. Ik hoop dat duidelijk is dat deze manier van denken niet erg geslaagd is.
Recent onderzoek laat zien dat veel medicijnen, in ieder geval alle psychofarmaca, mitochondriën beschadigen (Neustadt & Pieczenik, 2008). Mitochondriën zijn celonderdelen, zogenoemde organellen, die zorgen voor de energiehuishouding. Bij veel ziektes is de schade inmiddels aangetoond. CVS verdient hier onze speciale aandacht, want bij deze ziekte is iets grondig mis met de energiehuishouding. Patiënten met CVS zouden dan ook extra voorzichtige moeten zijn met medicijnen. Blijkens een recent Amerikaans onderzoek zijn ze dat vaak niet. De patiënten gebruiken gemiddeld veel meer medicijnen zoals antidepressiva en maagzuurremmers dan andere mensen (Boneva et al, 2009).
Maagzuuremmers zijn net als antidepressiva in het algemeen sterk af te raden (Van der Steen & Ho, 2001; Van der Steen, Ho & Karmelk, 2003). Ze bevorderen infecties in de darmen. Dat is zeker bij CVS kwalijk omdat de darmen een belangrijk onderdeel zijn van ons afweersysteem (Van der Steen, 1998).

Literatuur

  1. Bellmann-Weiler, R., Schroecksnadel, K., Holzer, C., Larcher, C., Fuchs, D. & Weiss G. (2008). IFN-gamma mediated pathways in patients with fatigue and chronic active Epstein Barr virus-infection. Journal of Affective Disorders, 108, 171-176.
  2. Boneva,, R.S., Lin, J.M., Maloney, E.M., Jones, J.F. & Reeves, W.C. (2009). Use of medications by people with chronic fatigue syndrome and healthy persons: a population-based study of fatiguing illness in Georgia. Health and Quality of Life Outcomes, 7, 67.
  3. Breggin, P.R. (2008). Medication madness. A psychiatrist exposes the dangers of mood-altering medications. New York: St Martin’s Press.
  4. Chen, R., Liang, F.X., Moriya, J., Yamakawa, J., Sumino, H., Kanda, T. & Takahashi, T. (2008). Chronic fatigue syndrome and the central nervous system. Journal of Internal Medicine Research, 36, 867-874.
  5. Cho, J.H., Cho, C.K., Shin, J.W., Son, J.Y., Kang, W. & Son, C.G. (2009). Myelophil, an extract mix of Astragali Radix and Salviae Radix, ameliorates chronic fatigue: a randomised, double-blind, controlled pilot study. Complementary Therapies in Medicine, 17, 141-146.
  6. Chia, J.K. (2005). The role of enterovirus in chronic fatigue syndrome. Journal of Clinical Pathology, 58, 1126-1132.
  7. Chia, J.K. & Chia, A.Y. (2008). Chronic fatigue syndrome is associated with chronic enterovirus infection of the stomach. Journal of Clinical Pathology, 61, 1-2.
  8. Chia, J.K., Chia, A.Y., Voeller, M., Lee, T.M. & Chang R. (2009). Acute enterovirus infection followed by myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome (ME/CFS) and viral persistence. Journal of Clinical Pathology, 14 october (epub ahead of print).
  9. Dietert, R.R. (2009). Developmental immunotoxicology: focus on health risks. Chemical Research in Toxicology, 22, 17-23.
  10. Dietert, R.R., Dietert, J.M. (2007). Early-life immune insult and developmental immunotoxicity (DIT)-associated diseases: potential of herbal- and fungal-derived medicinals. Current Medical Chemistry, 14, 107-185.
  11. Dietert, R.R. & Dietert, J.M. (2008). Possible role for early-life immune insult including developmental immunotoxicity in chronic fatigue syndrome (CFS) or myalgic encephalomyelitis (ME). Toxicology, 247, 61-72.
  12. Grinde, B. (2008). Is chronic fatigue syndrome caused by a rare brain infection of a common, normally benign virus? Medical Hypotheses, 71, 270-274.
  13. Frémont, M., Metzger, K., Rady, H., Hulstaert, J. & De Meirleir, K. (2009). Detection of herpesviruses and parvovirus B19 in gastric and intestinal mucosa of chronic fatigue syndrome patients. In vivo, 23, 209-213.
  14. Healy, D. (2004). Let them eat prozac: The unhealthy relationship between the pharmaceutical industry and depression. New York & Londen: New York University Press.
  15. Heim, C., Nater, U.M., Maloney, E., Boneva, R., Jones, J.F. & Reeves, W.C. (2009). Childhood trauma and risk for chronic fatigue syndrome: association with neuroendocrine dysfunction. Archives of General Psychiatry, 66, 72-80.
  16. Hobday, R.A., Thomas, S., O’Donovan A., Murphy, M. & Pinching, A.J. (2008). Dietary intervention in chronic fatigue syndrome. Journal of Human Nutrition and Dietetics, 21, 141-149.
  17. Jones, J.F. (2008). An extended concept of altered self: chronic fatigue and post-infection syndromes. Psychoneuroendocrinology, 33, 119-129.
  18. Kirsch, I. (2009). The emperor’s new drugs. Exploding the antidepressant myth. London: The Bodley Head.
  19. Klimas, N.G. & Koneru, A.O. (2007). Chronic fatigue syndrome: inflammation, immune function, and neuroendocrine interactions. Current Rheumatology Reports, 9, 482-487.
  20. Lerner, A.M., Beqaj, S.H., Deeter, R.G. & Fitzgerald, J.T. (2007). Valacyclovir treatment in Epstein-Barr virus subset chronic fatigue syndrome: thirty-six months follow-up. In vivo, 21, 707-713.
  21. Lorusso, L., Mikhaylova, S.V., Capelli, E., Ferrari, D., Ngonga, G.K. & Ricevuti, G. (2009). Immunological aspects of chronic fatigue syndrome. Autoimmunology Review, 8, 287-291.
  22. Lundell, K., Qazi, S., Eddy, L. & Uckun, F.M. (2006). Clinical activity of folinic acid in patients with chronic fatigue syndrome. Arzneimittelforschung, 56, 399-404.
  23. Maes, M., Mihaylova, I & De Ruyter, M. (2005). Lower serum zinc in Chronic Fatigue Syndrome (CFS): relationships to immune dysfunctions and relevance for the oxidative stress status in CFS. Journal of Affective Disorders, 90, 141-147.
  24. Maes, M., Mihaylova, I. & Leunis, J.C. (2005). In chronic fatigue syndrome, the decreased levels of omega-3 poly-unsaturated fatty acids are related to lowered serum zinc and defects in T cell activation. Neuro Endocrinology Letters, 26, 745-751.
  25. Marques, A. (2008). Chronic Lyme disease: a review. Infectious Disease Clinics of North America, 22, 341-360, vii-viii.
  26. Moncrieff, J. (2008). The myth of the chemical cure. A critique of psychiatric drug treatment. Basingstoke & New York: Palgrave Macmillan.
  27. Newton, J.L., Sheth, A., Shin, J., Pairman, J., Wilton, K., Burt, J.A. & Jones, D.E. (2009). Lower ambulatory blood pressure in chronic fatigue syndrome. Psychosomatic Medicine, 71, 361-365.
  28. Nater, U.M., Youngblood, L.S., Jones, J.F., Unger, E.R., Miller, A.H., Reeves, W.C. & Heim, C. (2008). Alterations in diurnal salivary cortisol rhythm in a population-based sample of cases with chronic fatigue syndrome. Psychosomatic Medicine, 70, 298-305.
  29. Neustadt, J. & Pieczenik, S.R. (2008). Medication-induced mitochondrial damage and disease. Molecular Nutrition and Food Research, 52, 780-788.
  30. Nijs, J. & Frémont, M. (2008). Intracellular immune dysfunction in myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue syndrome: state of the art and therapeutic implications. Expert Opinion on Therapeutic Targets, 12, 281-289.
  31. Pae, C.U., Marks, D.M., Patkar, A.A., Masand, P.S., Luyten, P. & Serretti, A. (2009). Pharmacological treatment of chronic fatigue syndrome: focusing on the role of antidepressants. Expert Opinion in Pharmacotherapy, 10, 1561-1570.
  32. Price, J.R., Mitchell, E., Tidy, E. & Hunot, V. (2008). Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome in adults. Cochrane Database Systematic Reviews, (3): CD001027.
  33. Sanders, P. & Korf, J. (2008). Neuroaetiology of chronic fatigue syndrome: an overview. World Journal of Biological Psychiatry, 9, 165-171.
  34. See, D.M., Cimoch, P, Chou, S., Chang, J. & Tilles, J. (1998). The in vitro immunomodulatory effects of glyconutrients on peripheral blood mononuclear cells of patients with chronic fatigue syndrome. Integrative Physiolical and Behavioral Science, 33, 280-287.
  35. Seishima, M., Mizutani, Y., Shibuya, Y. & Arakawa, C. (2008). Chronic fatigue syndrome after human parvovirus B19 infection without persistent viremia. Dermatology, 216, 341-346.
  36. Van der Steen, W.J.. (1998). Forging links between philosophy, ethics, and the life sciences: A tale of disciplines and trenches. History and Philosophy of the Life Sciences, 20, 233-248.
  37. Van der Steen, W.J. (2008). Nieuwe wegen voor de geneeskunde. Amsterdam: SWP.
  38. Van der Steen, W.J. (2009). Nieuwe wegen voor de psychiatrie. Amsterdam: SWP.
  39. Van der Steen, W.J. & Ho, V.K.Y. (2001). Drugs versus diets: disillusions with Dutch health care. Acta Biotheoretica, 49, 125-140.
  40. Van der Steen, W.J. & Ho, V.K.Y. (2006). De polsslag van de tijd: biologische klok heeft verreikende implicaties voor de geneeskunde. Medisch Contact, 61, 146-148.
  41. Van der Steen, W.J., Ho, V.K.Y. & Karmelk, F.J. (2003). Beyond boundaries of biomedicine: Pragmatic perspectives on health and disease. Amsterdam: Rodopi.
  42. Van Heukelom, R.O., Prins, J.B., Smits, M.G., Bleijenberg, G. (2006). Influence of melatonin on fatigue severity in patients with chronic fatigue syndrome and late melatonin secretion. European Journal of Neurology, 13, 55-60.

Deze publicatie is onderdeel van het column van prof. dr. Wim J. Van der Steen, klik hier voor meer publicaties van de auteur.

 

Boeken van de auteur

Nieuwe wegen voor de geneeskunde Beyond Boundaries of Biomedicine Denken over geneeskunde Evolution as Natural History
 

Tros Radar undercover bij farmaceutische bedrijven

Bezig met laden video...
Tros Radar: Deel 1 / Deel 2
Jaarlijks overlijden in Nederland meer mensen door medicijnen dan in het verkeer. Toch wil de farmaceutische industrie documenten over bijwerkingen niet openbaar maken.

Steeds vaker wordt het duidelijk dat dodelijke bijwerkingen worden verzwegen, en dat de bedrijven weinig tot niets om het welzijn van mensen geven.

De bedrijven worden beloond voor het zo lang mogelijk 'beter maken' van mensen, en niet voor het beter gemaakt hebben van mensen. En dat is te merken, vooral in de psychiatrie, waar medicijnen ongegeneerd mensen chronisch ziek maken en houden.

Zie ook: Farmaceutische bedrijven houden bewust fatale bijwerkingen geheim

Nu in de winkel:

De Pillen Maffia

Maandblad KIJK: De Pillenmaffia

Labels

Links

Meta

Statistieken

Bezoekers (details)


Stichting PVP, vertrouwenspersonen in de zorg
0900 444 8888 (10 cent/pm)
helpdesk@pvp.nl
MindFreedom International (MFI) Nederlands Comite voor de Rechten van de Mens (NCRM) International Association Against Psychiatric Assault (IAAPA)
Emil Ratelband - Geef je kind geen pillen maar een Seminar!